Het carnaval der stadsconcepten

Steden, beelden en beleid

Bureau Driessen, Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek
Utrecht, 1999

5.
Conclusie

Is er iets fundamenteels gaande, waar in het beleid rekening mee moet worden gehouden? Om die vraag te beantwoorden is in deze studie geprobeerd na te gaan, wat de gemeenschappelijke elementen in de nieuwe stadsvisies zijn en wat de eventuele relevantie van deze ideeën is voor het ruimtelijk beleid. Wat is de oogst?
Hoe men het resultaat beoordeeld is afhankelijk van het gekozen gezichtspunt. Is men op zoek naar afzonderlijke brandnieuwe ideeën dan valt het resultaat wat tegen. Totaal nieuwe visies zijn niet te voorschijn gekomen. Enigszins badinerend gesteld - het is tenslotte carnaval - : dat de stadsmuur is verdwenen en vervoer gemakkelijker is geworden en dat daardoor de vorm van de stad niet meer vastligt in concentrische cirkels was bekend. Dat hierdoor ook de noodzaak van functiestapeling is weggevallen is ook oud nieuws. Dat er nieuwe stedelijke functies aan het opkomen zijn is niet echt verrassend. En dat de burgers sterke bindingen vervangen door zwakke was de Chicago-school in de jaren dertig al bekend, zij het in andere bewoordingen.
Is er dan niets fundamenteels gaande? Toch wel. Achter al deze ontwikkelingen steekt namelijk één lange termijn ontwikkeling: een enorme toename van de mogelijkheden voor een vrije keuze, voor iedereen en op ieder gebied. Die ontwikkeling begon met de groei van de economie, gevolgd door bevolkingsgroei, het slechten van de stadsmuur, democratisering, toename van de vrije tijd, vergemakkelijking van vervoer en het vervangen van traditionele sociale familierelaties door vluchtige contacten. Steeds meer valt er voor burgers en bedrijven te kiezen. En het ziet er niet naar uit dat die ontwikkeling voorlopig tot stilstand komt.
Betekent dit dat ook de ruimtelijke inrichting aan de vrije keuze van de burgers of van de lokale politiek moet worden overgelaten? Dat is de vraag. De collectieve gevolgen van individuele (of lokaal politieke) keuzen spelen op lange termijn en op hogere schaalniveaus. Naar alle verwachting zullen deze gevolgen bij besluitvorming door burgers of bedrijven of op lokaal politiek niveau onvoldoende worden meegewogen1.
De besproken stadsconcepten en toekomstvisies laten er weinig twijfel over bestaan waar dat toe kan leiden. Een groot diffuus stedelijk gebied opgevuld met zeer veel edge-cities en regionale steden2. Dat alles mogelijk gemaakt door ze groene steden in een parklandschap te noemen. Binnen dit half-stedelijke gebied zal er maar zelden sprake zijn van een grote stapeling van functies. Er zullen véél kernen zijn, maar 'echte' stadscentra met een stapeling van zeer veel functies zullen waarschijnlijk nauwelijks meer bestaan. Functiestapeling is niet meer noodzakelijk, maar het is maar zeer de vraag of geringere functiestapeling wel wenselijk is.
Als Saskia Sassen gelijk heeft en er vindt een verdere clustering3 plaats in enkele super-centra, dan zal Nederland de competitie om een plaats tussen deze super-centra (met Londen, Brussel, Parijs, Frankfurt) ingaan met vooral een grote hoeveelheid half urbaan gebied. Geen aantrekkelijke uitgangspositie in de race om de schaarse plaatsen.
Het algemene uitgangspunt van de Startnota sluit aan op deze negatieve visie op 'laissez faire' en suburbanisering. Er wordt in de Startnota een duidelijke scheiding tussen stad en land voorgestaan om de contrasten te versterken. In de volgende en laatste paragraaf wordt op enkele specifieke punten nader ingegaan.

6.
Discussie

Ter afsluiting zal in deze laatste paragraaf worden ingegaan op een aantal thema's uit de ruimtelijke ordening aan de hand van of naar aanleiding van de hiervoor besproken stadsconcepten en toekomstvisies. Ook wordt daarbij ingegaan op de keuzes die in de onlangs verschenen Startnota voor de Vijfde Nota zijn gemaakt. Zoals hiervoor gesteld sluit het algemene uitgangspunt van de Startnota aan op een bepaalde interpretatie van de stadsconcepten, namelijk dat sommige mogelijke ontwikkelingen, zoals suburbanisering, ongewenst zijn.

Beperkte planningsopgave

De planningsopgave voor de komende 30 jaar is zeer beperkt ten opzichte van dat wat er al is. Weliswaar zal er veel vernieuwd, aangepast en geherstructureerd worden en uiteraard wordt er veel toegevoegd, maar in netwerktermen liggen de basisstructuren vast. Over 30 jaar zijn de stedelijke centra nog steeds stedelijke centra. Dit zou alleen anders zijn als er een zo sterke achteruitgang van de stadscentra plaatsvindt dat een groot aantal functies daaruit wegtrekt. Het is niet reëel met deze mogelijkheid serieus rekening te houden. Daarmee zijn de belangrijkste netwerkknooppunten gegeven en zo ligt de basisnetwerkstructuur voor Nederland vast.
Gegeven een stabiele basisstructuur en gegeven het feit dat 'stedelijkheid' gedijt bij, zo niet identiek is aan, stapeling van verschillende functionele knooppunten ligt het voor de hand aan te sluiten op het bestaande door bestaande knooppunten te handhaven en uit te breiden en kleinere knooppunten die daar het potentieel voor hebben op te waarderen. Dit laatste kan gebeuren door nieuwe functionele knooppunten verder te stapelen op al bestaande knooppunten.
Het ontwikkelen van nieuwe kernen of knooppunten is volgens deze zienswijze gecontraïndiceerd. Nieuwe kernvorming leidt tot een groot aantal knooppunten zonder uitgebreide functiestapeling: mono-, bi- of hooguit tri-functionele knooppunten, bijvoorbeeld van gestapeld wonen, voorzieningen en kantoren. Vanuit een netwerkperspectief zou de planning er dus zo moeten uitzien dat alleen bestaande knooppunten versterkt worden. Ook al omdat de bestaande stedelijke knooppunten in Nederland in vergelijking met buitenlandse stedelijke kernen eigenlijk nauwelijks iets voorstellen4. De Startnota laat echter ruimte voor nieuwe kernen in de corridors en spreekt over nieuwe stedelijke knooppunten, toplocaties zelfs.
Daarmee samenhangend: de Startnota spreekt zich uit voor 'een nieuw type stedelijke samenhang'. 'Er is niet meer één hoofdcentrum, maar er zijn verschillende centra'. Culturele functies binnen en de identiteit van de binnensteden zouden daar ook bij gebaat zijn. Op de eerste plaats kan gesteld worden dat specialisatie van knooppunten bij een grote omvang van het stedelijk netwerk uiteraard onvermijdelijk is. Maar dat betekent bepaald niet dat deze ontwikkeling gestimuleerd zou moeten worden. Bij stimulering van deze specialisatie zouden binnensteden tot open lucht musea verworden. Op de tweede plaats wekt de Startnota de indruk dat men hier een argument in ziet om nieuwe kernen te creëren of in ieder geval om functionele knooppunten niet bij voorkeur over elkaar heen te leggen.

Functiescheiding

Zoals gesteld worden netwerken stedelijker als er meerdere functies overlappen. Het ruimtelijk beleid heeft lange tijd in het teken gestaan van de functiescheiding: wonen, werken, voorzieningen en recreëren. In tal van nieuwe stadsconcepten wordt benadrukt dat functies ontvlechten, maar ook dat ze verschuiven. Men woont in oude fabrieken, men werkt in de woning, men recreëert in het winkelcentrum, enzovoorts. Een scheiding tussen wonen en werken was misschien zinvol in een tijd dat werken nog vaak fabrieksarbeid was, maar die tijd ligt achter ons en door de zorg om het milieu is 'werk' niet meer synoniem met lawaai en stank. Naar verwachting zal bovendien het werk in de dienstverlenende sector stijgen naar 70% van de beroepsbevolking. Dus een combinatie van wonen, werken en andere functies hoeft wat dat betreft niet op problemen te stuiten en voor de stedelijke functiestapeling is het gunstig. Dit was ook een van de visies achter het compacte stadsconcept en ook in de Startnota wordt functiemenging voorgestaan.
In de Startnota wordt echter nog over bedrijfsterreinen gesproken en ook over woon- en werkmilieus. Het idee dat functiemenging niet alleen een aantrekkelijke optie is, maar zeer krachtig moet worden nagestreefd, is kennelijk nog niet helemaal geïnternaliseerd.

Vinex-locaties

In de Vinex-locaties komt van functiemenging maar weinig terecht. Dit komt omdat men stedelijkheid probeert te creëren naast de stad in plaats van in de stad: aan het eind van één as, in plaats van op een knooppunt van assen. Hierboven is er al op gewezen dat ook in functionele termen het creëren van stedelijkheid naast de stad niet succesvol kan zijn: men kan niet op willekeurig iedere plek functiestapeling afdwingen. Er is immers draagvlak nodig, dat de omvang van een stedelijk gebied moet hebben, maar bovendien dient er niet vlak in de buurt al een stedelijke stapeling van functies aanwezig te zijn.
Voor de bewoners betekent dit dat men stedelijkheid (functiestapeling) moet ontberen, terwijl men wel geconfronteerd wordt met de nadelen van de stedelijke woonomgeving (dichtheid).

Woonvoorkeuren

De Startnota noemt twee dominante ideaaltypische woonomstandigheden, die polair ten opzichte van elkaar zijn: het appartement in de binnenstad en het huis met tuin 'buiten'. Een combinatie van beide ideaaltypen is uitgesloten5. De vraag doet zich dan voor of er gestreefd moet worden naar een situatie waarin geldt 'van allebei een beetje' of naar een situatie waarin men een duidelijke keus heeft: 'het een òf het ander'.
In dit land is vooral gekozen voor het compromis: van allebei wat, woontorens in de groeikern, woningen in de stad met tuin, een Randstad met een groen hart en dergelijke. In het ruimtelijk beleid zou overwogen kunnen worden meer mogelijkheden te scheppen om òf het ene òf het andere ideaaltype te benaderen. Dat betekent differentiatie en contrasten, zaken die in de Startnota worden bepleit. Voor het stads-ideaaltype betekent dat uitbreiding van de 'binnenstad', het hoogstedelijke woonmilieu. In concreto betekent dit vergroting van het binnenstedelijk gebied, derhalve intensivering. Voor het landelijke ideaaltype betekent dit vergroting van het gebied waarin 'landelijk' gewoond kan worden. Dit laatste stuit op bezwaren, waarop hieronder wordt ingegaan.

Landelijk wonen

Zoals hierboven bij de behandeling van het concept 'heldere stad' al is opgemerkt zou de discussie over de open ruimte niet gevoerd moeten worden als een discussie over de vorm van de grens van de stad, maar over vorm en omvang van de open ruimte zelf. Daarover kan het volgende opgemerkt worden. Het behoud van de open ruimte brengt bepaalde maatschappelijke kosten mee. Grote groepen in de samenleving, namelijk degenen die opteren voor een min of meer landelijk woonideaal, wonen minder ruim en groen dan zij zich zouden kunnen veroorloven, wanneer een deel van de open ruimte zou worden prijsgegeven. Deze maatschappelijke kosten bestaan dus uit gederfd woongenot. Alleen voor de liefhebbers van het landelijk wonen met de hoogste inkomens geldt dit nauwelijks. Zij kunnen immers ook in Nederland het landelijk woonideaal in belangrijke mate realiseren6.
In dit licht is het niet verwonderlijk dat de krachtigste voorstanders van de open ruimte veelal stedelingen zijn. Stedelingen opteren immers niet voor het landelijke wonen, maar voor stedelijk wonen in combinatie met landelijke recreëren7. Zodoende is er een maatschappelijk belangenconflict tussen een stedelijke, vooral intellectueel georiënteerde elite en een landelijke, veelal economisch georiënteerde elite. De belangen van de eerste groep worden behartigd door Verenigingen en Stichtingen, die gericht zijn op de kwaliteit van het milieu of op natuurbehoud. De belangen van de tweede groep worden verwoord door vertegenwoordigers van de landbouwsector, lokale bestuurders en ondernemers en in hun kielzog architecten8, die wel affiniteit hebben met het landelijk wonen, maar die dat voor hen zelf veelal al gerealiseerd zullen hebben. Hun drijfveer bestaat derhalve voornamelijk uit te realiseren opbrengsten9 bij de bebouwing van nieuwe locaties10.
Er is hier gesteld dat het ruimtelijk beleid meer gericht zou moeten zijn op de benadering van twee ideaaltypische woonomgevingen: binnenstedelijke en landelijke. Betekent dit dat een deel van de open ruimte zou moeten worden opgegeven? Dit zal moeten afhangen van de uitkomsten van discussies over de inrichting van de open ruimte, waarbij de 'open ruimte' niet wordt opgevat als een voor alle eeuwigheid definitief ingericht gebied.
Een deel van de open ruimte heeft uiteraard een museale functie of een functie als uniek natuurgebied, maar hoe groot moet dat deel zijn en wat impliceert dat voor de overige open ruimte? Er zijn keuzes mogelijk, zoals willen we grutto's of groene spechten of grauwe ganzen, anders gezegd willen we voor een groot deel van de open ruimte weidegebied of is het ook denkbaar een deel van het open gebied om te zetten in parklandschap of in watergebied? Parklandschap is te verenigen met landelijk wonen, bijvoorbeeld in een coulisselandschap, en in dat geval is een open sky-line ook niet noodzakelijk. Watergebied is te combineren met waterrecreatie11. Beide alternatieve opties bieden ook een heel wat steviger economische drager voor het niet-stedelijk gebied dan voorstellen die nu circuleren, zoals waterwingebied.
Uitbreiding van voor landelijk wonen beschikbaar gebied is niet strijdig met het uitgangspunt van het versterken van de contrasten. Nieuwe kernen worden in deze opvatting immers niet geschapen in het landelijk gebied.

Stedelijk wonen

Het mag duidelijk zijn dat 'stedelijk' wonen aan de rand van een stedelijk netwerk in de visie van de twee polaire woonidealen geen aantrekkelijke optie is. Voor het stads-ideaaltype betekent goed wonen, wonen in of zeer nabij de 'binnenstad', het hoogstedelijke woonmilieu met de enorme functiestapeling. In concreto zou dus een vergroting van het binnenstedelijk gebied nodig zijn. De vraag is natuurlijk of daar binnen bestaande stedelijk gebied nog ruimte voor is. Als er 60.000 woningen naast elkaar moeten komen, dan is die ruimte er niet. Als men binnen het stedelijk netwerk 60 locaties zoekt voor 50 à 1500 woningen dan is die ruimte in ieder geval deels te vinden.

Corridors

In de Startnota wordt bepleit een gedeelte voor de tot 2030 nodig geachte uitbreidingen plaats te laten vinden in corridors als aanvulling op de concentratiestrategie. Op de eerste plaats moet hier vermeld worden dat door sommigen de vraag is opgeworpen of de behoefte aan woningen en bedrijfsterreinen na 2010 wel groot genoeg is om de ontwikkeling van corridors te rechtvaardigen12. Hier zal nagegaan worden wat de ontwikkeling van corridors in netwerktermen zou kunnen betekenen. In figuur 3 zijn twee stedelijke netwerken verbonden door een corridor. De bollen stellen knooppunten voor in netwerktheoretisch opzicht, de facto centra. De figuur laat duidelijk zien dat corridorontwikkeling geen enkele bijdrage levert aan de kwaliteit van de beide stedelijke netwerken. De stedelijke netwerken blijven zoals ze zijn, ze breiden niet uit en er is al helemaal geen sprake van intensivering of verdere functiestapeling in de stedelijke centra.
In figuur 4 is weergegeven wat het huidige beleid te betekenen heeft voor de kwaliteit van stedelijke netwerken. De uitbreidingen zijn aan de rand van een stedelijk netwerk gepositioneerd, zoals dat momenteel met de Vinex-locaties gebeurt en in het verleden met de groeikernen op een nog ruimere afstand. Ook hier blijkt er geen verbetering van het stedelijk netwerk te zijn, in de zin van overlapping van verschillende netwerken of functiestapeling. Er is alleen sprake van een uitbreiding van het oppervlak van het gebied met een stedelijke netwerkstructuur. In figuur 5 tenslotte is weergegeven wat er gebeurt als de uitbreidingen binnen het stedelijke netwerk een plaats vinden. De netwerkstructuur verdicht en in het licht van het voorgaande kan dat als een verrijking worden opgevat en de oppervlakte van het hoogstedelijk gebied neemt toe. In de figuren is het netwerk voorgesteld als een eendimensionale structuur, maar in werkelijkheid betekent verdichting van de netwerkstructuur vooral dat meerdere functionele netwerken over elkaar zullen vallen. Dit betekent een intensivering van het stedelijk karakter van het netwerkgebied. Gebieden binnen het stedelijke netwerkgebied met lage graad van stedelijkheid (een weinig meerfunctionele netwerkstructuur) zullen een hogere graad van stedelijkheid verwerven.
Betekent dit nu ook meer congestie? Als we figuur 3 en 5 vergelijken13, lijkt dit op het eerste gezicht inderdaad het geval te zijn. Toch is dit niet zo. Vervoersbewegingen tussen de uitbreidingen onderling belasten in de corridor-oplossing het stedelijk netwerk inderdaad niet, maar vervoersbewegingen tussen de uitbreidingen en de stedelijke netwerken belasten in de intensiveringsoplossing het stedelijke netwerk veel minder en het ligt in de rede te veronderstellen dat deze laatste vervoersbewegingen tussen uitbreidingen en stedelijk netwerk aanzienlijk frequenter zijn.
Het bovenstaande betreft de congestie in verkeerskundige zin. Congestie kan ook optreden in de zin van drukte, gebrek aan open ruimte en dergelijke, dus in de zin van psychologische belasting. Wat dat betreft kan verwezen worden naar hetgeen is opgemerkt over woonidealen: sommigen stellen die psychologische belasting juist op prijs.

Afgrenzing netwerksteden

In de Startnota wordt gesproken over netwerksteden en de suggestie wordt gewekt dat het geen probleem is deze netwerksteden af te grenzen. Vanuit een netwerkoptiek is begrenzing echter een lastig probleem. Op welk niveau men clusters moet onderscheiden is niet op voorhand te zeggen en in principe lopen netwerken altijd door. Figuur 6 illustreert dit. Op het eerste gezicht laat de figuur twee duidelijk onderscheiden knooppunten zien. Toevoeging van slechts één verbindings-as (XY) verandert de figuur vrij overtuigend in één netwerk. Na verdere toevoeging van de assen ZY en PY lijkt het er weer meer op dat we te maken hebben met drie, onderling verbonden, netwerken. Vrij kleine veranderingen leiden derhalve tot een volkomen ander beeld. De beslissing om een verbindings-as op te nemen zal immers meestal op basis van vrij willekeurige criteria genomen worden. Met andere woorden het idee van begrenzing is niet zo gemakkelijk te verenigen met een netwerkconcept.
De te kiezen begrenzing is ook afhankelijk van de functies waarop het netwerk betrekking heeft. In de Startnota wordt bij de begrenzing van de netwerksteden gewezen op twee functies: de arbeidsmarkt en de woningmarkt. Dit is een voor de hand liggende keuze14.

Identificatie

Identificatie en zingeving zijn problemen die ook buiten de stad spelen. Algemeen kan men stellen dat de identificatie van een persoon met een locatie sterker zal zijn naarmate meer functies die door die persoon benut worden op dezelfde locatie gestapeld zijn. De identificatie met een stad is dus sterker voor iemand die in die stad woont, werkt, recreëert enzovoorts, dan voor iemand die alleen maar in de stad woont of er alleen maar werkt of er alleen af en toe recreëert. Daarnaast kan aangenomen worden dat de tijd een rol speelt: hoe langer men in een stad woont (of werkt, recreëert), hoe meer identificatie. En tenslotte zal de levensfase een rol spelen. Jeugdindrukken plegen diepere sporen na te laten dan ervaringen in latere levensfasen15.
Dat de identificatie met stadsgewesten gering is en dat bewoners doorgaans tegen schaalvergroting en regiovorming zijn heeft waarschijnlijk niet alleen te maken met gebrek aan identificatie met de grotere schaaleenheid, hoewel dit voor de dwarsliggers - doorgaans de kleinere partijen in de fusie, die hun identiteit verloren zien gaan in een groter en minder zeggend geheel - zeker een rol zal spelen. Waarschijnlijk speelt ook een rol dat er een algemene maatschappelijke onvrede is met het politiek-bureaucratisch apparaat, dat in de ogen van de burgers allerlei herstructureringen verzint, die voor hen geen betekenis hebben en in ieder geval niet tot verbeteringen zullen leiden.

Mobiliteit

In deze studie is vrij weinig aandacht besteed aan het mobiliteitsvraagstuk, toch een van de meest dominante topics in de huidige planologische discussie. Enerzijds is dit een bewuste keuze: als iedereen zich vooral bezig houdt met mobiliteitsproblemen, dan is het aantrekkelijk eens een stuk te lezen, waarin deze problemen min of meer genegeerd worden. Anderzijds is de overheersende aandacht in de ruimtelijke ordening voor de mobiliteitsproblematiek ook overtrokken. De bijdrage die door planologische maatregelen geleverd kan worden aan beheersing van de mobiliteitsdruk is zéér beperkt, al was het maar omdat de planologische opgave beperkt is ten opzichte van het bestaande. Anders gezegd: de boel loopt toch wel vast en de oplossing zal zeker niet komen van een ruimtelijke structuur die min of meer het hoofdwegennet volgt16.

Woon-werk mobiliteit

Er wordt wel gesteld dat de gebundelde deconcentratie (het groeikernenbeleid) de mobiliteitsproblematiek heeft veroorzaakt17. Dat is misschien in die zin waar, dat de acceptatie van een flinke woon-werk afstand mede door het groeikernenbeleid is toegenomen. Wonen bij het werk wordt steeds zeldzamer en ook van oudsher thuiswerkende beroepsgroepen brengen vaker een splitsing aan tussen woon- en werklocatie, zoals bijvoorbeeld advocaten en huisartsen. Dit heeft enerzijds te maken met de verdergaande privatisering van het persoonlijke leven, met het feit dat veel huishoudens meerdere werkenden tellen en met het feit dat de beroepsmobiliteit is toegenomen. Anderzijds hangt dit samen met de clustering van dergelijke beroepen in groepspraktijken en advocatenkantoren, die is ingegeven door specialisering. In dit licht bezien is de mobiliteitsdruk dan ook bepaald niet in belangrijke mate veroorzaakt door het groeikernenbeleid.
Gegeven de momenteel grote acceptatie van een forse woon-werkafstand kan een beleid dat zich richt op het bijeenbrengen van woon- en werklocaties waarschijnlijk nauwelijks effect sorteren met betrekking tot de beperking van de congestie. Wel is van belang dat wonen in de nabijheid van het werk in principe mogelijk blijft en door planologische maatregelen niet definitief wordt verhinderd. Dat betekent functiemenging. Zoals gezegd, veel illusies over het effect hiervan op de mobiliteit hoeft men vooralsnog niet te hebben, maar dat kan snel veranderen als de mobiliteitsproblematiek acuut wordt en mensen, min of meer zoals vroeger, gedwongen worden tot een keus: twee uur reizen (in de file staan) of verhuizen.

Afsluiting

Differentiatie is altijd een uitgangspunt bij de ruimtelijke ordening geweest, maar in de praktijk kwam het meestal toch neer op compromissen. Misschien is het een goed idee de differentiatie eens uitgesproken radicaal aan te pakken: enerzijds een beperkt aantal sterke, dichte, levendige, maar ook benauwde en verstopte steden, anderzijds landelijke, ruime, groene, maar ook saaie woongebieden (waar ook gewerkt wordt). En daartussenin niets, want daar is al veel te veel van.

Noten

  1. Op de hieronderliggende complexe problematiek, die betrekking heeft op de vraag in hoeverre burgers, bedrijven en lagere overheden in staat zijn tot een zodanige zelfsturing, dat belangen op hogere niveaus gerespecteerd worden, wordt hier niet ingegaan en evenmin op de vraag wat het karakter van de centrale sturing zou moeten zijn, bijvoorbeeld governance of government (vgl. Kreukels, 1997). Uitgangspunt is alleen dat er enige vorm van centrale sturing zal moeten zijn.
  2. De grotere vrijheid zou ook gebruikt kunnen worden om bijvoorbeeld in de woonomgeving sociale homogeniteit te realiseren. Hoewel er wel tendenties in die richting zijn, zoals afgesloten woonwijken voor welgestelden, lijkt de algemene tendens, zoals bijvoorbeeld blijkend uit de m2-prijs voor appartementen in stadscentra, toch bepaald niet die kant op te gaan.
  3. Het betreft vooral clustering van (super)specialistische functies op de allerhoogste schaalniveaus. Deze functionele clustering kan in principe samengaan met de in de vorige alinea beschreven vooral ruimtelijke diffusie, die op iets lagere schaalniveaus betrekking heeft. Het punt is dat diffusie binnen een regio of land, bijvoorbeeld in westelijk Nederland, niet zal leiden tot een zodanige functiestapeling, anders gezegd tot een zodanige grootstedelijkheid, dat een wervend vestigingsmilieu voor de internationale (super)specialistische functies ontstaat.
  4. In Nederland heeft alleen Amsterdam een redelijke grootstedelijke uitstraling. Men kan nog van mening verschillen over Rotterdam en Den Haag, maar iedereen zal toch toegeven dat Utrecht, de vierde stad van het land, niets grootstedelijks meer heeft.
  5. De keus tussen deze ideaaltypen heeft geen betrekking op zogenaamde 'basis-voorzieningen' (belang voor bewoners zeer groot, grote consensus onder bewoners over dit belang). Het betreft clusters van woonvoorkeuren die betrekking hebben op de 'kwaliteits-voorzieningen' (belang voor bewoners redelijk groot, matige consensus) en 'extra-voorzieningen' (belang voor bewoners niet groot, geen consensus). De keus tussen landelijk of hoogstedelijk wonen heeft daardoor het karakter van een vrije keuze (vgl. Driessen en Beereboom, 1983; Driessen, 1984).
  6. De hoogste inkomensgroepen geven daar een deel van hun overvloedige discretionair inkomen aan uit. Ze betalen voor hun woongenot misschien meer dan in een minder dicht bevolkt land, maar dat is hier verder niet relevant.
  7. Ook Thijsse van de Verkadealbums, de Flora en de oprichter van de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten, was een belangrijk deel van zijn leven stedeling.
  8. Weeber, 1999.
  9. De opbrengst hoeft niet altijd uit speculatieve winst te bestaan. Voor lokale bestuurders kan gelden dat men zich prestige verwerft en daardoor een beter carrièreperspectief.
  10. Het gaat om de elites van respectievelijk de intellectuele (of culturele) en de economische leefstijl (vgl. Ganzeboom, 1988; Driessen en Goossens, 1993). Mensen met een intellectuele leefstijl zijn ook veel milieubewuster (vgl. Driessen, 1994). De controverses over de jacht die momenteel spelen in Engeland en Frankrijk lopen overigens min of meer langs dezelfde scheidslijnen.
  11. Vgl. Driessen en Van Houwelingen (1988, p. 159) over de wenselijkheid het voor waterrecreatie geschikte areaal uit te breiden door polders te inunderen en momenteel voor recreatie ongeschikte delen van de kust te ontsluiten.
  12. Meindertsma en Verdaas, 1999.
  13. Vergelijk figuur 3 en 5: weliswaar is ab < a'b', maar aZ > a'Z èn bY > b'Y. Niet alleen zijn a'Z en b'Y aanzienlijk korter, ook binnen het stedelijk gebied is de te overbruggen afstand korter. Alleen onder zeer extreme omstandigheden levert de corridoroplossing minder vervoersbewegingen, bijvoorbeeld als de frequentie van ab veel hoger is dan de frequentie van aZ + bY, of als de frequentie van bZ en aY zeer hoog is. Zelfs voor een expediteur die uitsluitend goederen vervoert tussen Y en Z is het niet verstandig domicilie te kiezen langs de corridor (bijvoorbeeld in a), omdat dan zijn eerste of laatste aflevering van goederen nooit meer samenvalt met zijn vestigingsplaats: (aZ + ZY + YZ + Za) > (a'Z + ZY + YZ +Za').
  14. De afgrenzing van netwerken hangt samen met de keuze van het 'relevante' schaalniveau (vgl. bijv. Kreukels, 1997). Ook het relevante schaalniveau is afhankelijk van de functie(s) waarover het gaat, valt nooit voor alle functies samen, blijft altijd enigszins willekeurig, maar blijkt in planologische discussies onmisbaar.
  15. Identificatie met sociaal homogene woonomgevingen (Wassenaar, vroeger de Jordaan of Wijk C in Utrecht) is iets anders, maar kan wel de identificatie met een stad versterken.
  16. Het volgen van veronderstelde mobiliteitseisen is een passief principe. Hetzelfde geldt voor het zogenaamde 'meebewegen met het water'.
  17. Boomkens, 1999.