Dans!

Een sectoronderzoek in de danswereld in opdracht van Directie Overleg Dans in samenwerking met
Theater Instituut Nederland
Federatie van Kunstenaarsverenigingen
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
en de Vereniging van Schouwburg- en Concertgebouwdirecties

Bureau Driessen, Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek
Utrecht, 1999

Samenvatting

De danswereld heeft het initiatief genomen om een sectoronderzoek te laten uitvoeren, waarin de danssector in kaart wordt gebracht en toekomstige ontwikkelingen worden verkend. Uitgangspunt van het onderzoek is daarnaast een aantal door de danswereld zelf gesignaleerde problemen. In het onderzoek is allereerst nagegaan hoe het staat met de ernst van deze problemen. Op basis van de resultaten van het onderzoek zijn vervolgens aanbevelingen ontwikkeld om bestaande problemen het hoofd te bieden en om adequaat te kunnen anticiperen op toekomstige ontwikkelingen.

Het was overigens niet helemaal duidelijk hoe reŽel deze problemen zijn. Voor een aantal van de ontwikkelingen kan er ook sprake zijn van de min of meer gebruikelijke fricties in een cultuursector of van een tijdelijke en niet ongewone stagnatie na een periode van bloei.

Problemen in de Danssector

De problemen in de danssector vallen in twee categorieŽn uiteen: problemen met productie en aanbod van dans enerzijds en problemen met distributie en vraag anderzijds. Aan de aanbodzijde zou er gebrek aan continuÔteit zijn door versnippering van de middelen. Er zijn enerzijds veel kleine productiekernen met beperkte middelen, die niet volledig professioneel kunnen opereren, waardoor de kwaliteit te wensen zou overlaten. Ook zijn er veel producties op individuele basis, die vaak kortdurend zijn. Hierdoor zou er een te groot aanbod modern repertoire zijn, met name in de adhoc sector. Daarnaast zouden er maar weinig co-producties zijn en er zou maar weinig worden samengewerkt met andere (podium)kunstuitingen, met name muziek.

Anderzijds zouden sommige succesvolle producties te kort in uitvoering blijven en er zouden ook te weinig reprises zijn van succesvolle producties. De gezelschappen zouden ook maar weinig uitvoeringen in het buitenland brengen. Ook het aanbod romantisch klassiek ballet zou te kort schieten in die zin dat er te weinig aanbod is.

Wat de distributie betreft zou het door het grote aanbod problematisch zijn een speelplek te vinden. Voor kleine productiekernen is het ook niet mogelijk een relatie op te bouwen met programmeurs en publiek. Daarnaast zouden programmeurs maar weinig affiniteit hebben met dans en daardoor weinig dans programmeren.

Aan de vraagkant wordt de danswereld geconfronteerd met een stagnerende publieksgroei na een periode van groei. In dit verband is het van belang dat er weinig tot geen gezamenlijke promotie van de hele danssector plaatsvindt. De promotie door de gezelschappen (naar programmeurs en publiek), maar ook door de theaters zou daarnaast te kort schieten. Er zijn momenteel ook geen 'sterren', die een belangrijke rol zouden kunnen spelen in de publiekscampagnes.

Jeugddans kan op termijn een belangrijke rol spelen bij het aantrekken van nieuw publiek, maar jeugddans zou onvoldoende erkend worden als volwaardige discipline. Ook de positie van de dans binnen de culturele educatie zou niet gunstig zijn. Ook via de amateurdans zou nieuw publiek aangetrokken kunnen worden, maar professionele dans en amateurdans zijn momenteel gescheiden werelden.

Onderzoeksopzet en opbouw rapport

Om deze problemen te onderzoeken en oplossingen te genereren zijn voor het sectoronderzoek zeven deelonderzoeken uitgevoerd, waarvan tabel 1 een overzicht geeft. Dit eerste deel van het rapport bevat een samenvatting van de onderzoeksresultaten, de conclusie en aanbevelingen. In deel II is het volledige onderzoeksverslag te vinden.

Aan de hand van beleidsstukken, cijfermateriaal, jaarverslagen en dergelijke is eerst de huidige stand van zaken in kaart gebracht. Om een gedetailleerd inzicht te krijgen in de bestaande problematiek is er vervolgens een aantal interviews gehouden met sleutelfiguren uit de danswereld, zoals zaaldirecteuren, zakelijk leiders, choreografen en dansers.

Tabel 1. Overzicht van de deelonderzoeken in Deel II van dit rapport.
hoofdstuk deelonderzoek methode vooral gericht op
1 Inleiding    
2 Stand van zaken desk-research structuur danswereld, recente ontwikkeling aanbod en bezoek
3 Sleutelfiguren diepteinterviews problemen, oplossingen
4 Gezelschappen enquÍte problemen, oplossingen
5 Programmeurs enquÍte problemen, oplossingen
6 (Potentieel) publiek enquÍte te realiseren vraag
7 Toekomstige ontwikkelingen desk-research komende ontwikkeling aanbod en bezoek
8 Discussies discussie-bijeenkomsten oplossingsstrategieŽn

Onder de drie belangrijkste categorieŽn in de danswereld - aanbieders, distributeurs en (potentieel) publiek - is steeds een enquÍte gehouden. Bij de aanbieders en de distributeurs lag de nadruk op problemen en oplossingen. De enquÍte onder het publiek had uiteraard een ander karakter. Het ging er vooral om vast te stellen hoe nieuw publiek geworven zou kunnen worden.

Voor de te formuleren oplossingen is ook inzicht nodig in de toekomstige ontwikkelingen ten aanzien van cultuuraanbod en -consumptie in het algemeen en ten aanzien van de vraag naar dans. Zoals bekend zijn er belangrijke maatschappelijke ontwikkelingen gaande, zoals de vergrijzing, en het mogelijke effect op de vraag naar dans is daarom onderzocht.

De acceptatie in het veld van de te kiezen oplossingen is tenslotte onderzocht in het zevende en laatste deelonderzoek. In discussiebijeenkomsten met personen uit de danswereld is nagegaan welke oplossingen de danswereld acceptabel vindt.

De onderzoeksbevindingen zijn meestal niet op ťťn deelonderzoek gebaseerd, maar op de bevindingen van meerdere onderzoeken. Door het systematisch gebruik van meerdere bronnen is er een solide basis voor conclusies en aanbevelingen. Hieronder wordt een samenvatting gegeven van de verschillende deelonderzoeken.

Stand van zaken

In deze paragraaf wordt een kort overzicht gegeven van de huidige stand van zaken in de danswereld.

Er zijn 5 dansvakopleidingen in Nederland met circa 450 studenten, waaronder 30% buitenlandse studenten. Aan slechts twee scholen kan een klassieke dansopleiding worden gevolgd. Jaarlijks studeren er in totaal ongeveer 40 dansers af.

Een beperkt deel van deze afgestudeerde dansers krijgt een vast contract bij een dansgezelschap. Vaste contracten worden in principe alleen geboden door de 14 meerjarig door het Ministerie van OCenW gesubsidieerde dansgezelschappen. Onder de 400 dansers die verbonden zijn aan deze top-gezelschappen bevinden er zich ook die alleen een contract voor bepaalde tijd hebben. De overige dansers gaan tijdelijke verbintenissen aan met een van de circa 53 productiekernen (of zijn werkloos). Onder prodctiekernen worden kleine groepen verstaan, geleid door een choreograaf, die afhankelijk zijn van zogenaamde adhoc subsidies van meestal het Fonds voor de Podiumkunsten of de gemeenten. Sommige dansers werken ook als vrijwilliger mee aan producties en soms creŽren dansers al dan niet betaald werk door zich als choreograaf en producent te profileren.

In Nederland zijn ongeveer 80 professionele choreografen werkzaam. Choreograferen wordt vooral in de praktijk geleerd. Hierbij kan men een studio huren of men doet een beroep op een van de danswerkplaatsen die repetitie- en presentatieruimte bieden aan getalenteerde dansers en choreografen zonder productiebudget of men doet ervaring op bij workshops van de gevestigde gezelschappen. Ook aan de multidisciplinaire tweede fase opleiding bij Das Arts of aan de eerste fase opleiding bij de Rotterdamse Dansacademie kan men zich toeleggen op choreograferen.

Voor de financiering van dansgezelschappen zijn diverse bronnen beschikbaar. De Rijksoverheid neemt het leeuwendeel voor zijn rekening. Het Ministerie van OCenW subsidieert gezelschappen en instellingen voor een periode van 4 jaar, de zogenaamde Cultuurnotaperiode. Op basis van beoordelingen en adviezen van de Raad voor Cultuur wordt circa 38 miljoen gulden per jaar aan dans besteed. Het Rijk hanteert onder andere een voorstellingsnorm, die inhoudt dat een vooraf afgesproken minimum aantal uitvoeringen plaats moet vinden, en spreidingseisen.

Een andere belangrijke subsidiŽnt is het door het Ministerie van OCenW gefinancierde Fonds voor de Podiumkunsten, dat jaarlijks ruim 2 miljoen gulden verstrekt voor beurzen en dansprojecten, waaronder incidentele subsidies en sinds kort ook subdisies voor een periode van 2 jaar. Ook hier geldt een voorstellingsnorm. Naast artistieke kwaliteit spelen overwegingen als geografische spreiding, culturele diversiteit en aandacht voor de jeugd een rol bij de subsidietoekenning.

De Stichting Podiumkunstwerk, gefinancierd door het Ministerie van OCenW en de Arbeidsvoorziening, tracht de arbeidsmartkpositie van podiumkunstenaars te verbeteren. Door middel van loonkostensubsidies wordt de werkgelegenheid voor podiumkunstenaars gestimuleerd en worden werkervaringsplaatsen ondersteund. Jaarlijks worden er ruim 10 projecten en groepen gesubsidieerd, waarmee zo'n acht ton gemoeid is. Sinds 1999 verstrekt de stichting bovendien subsidies in het kader van het flankerend beleid van de WIK.

Tot slot wordt ook het amateurdanscircuit door de Rijksoverheid gefinancierd. Op dit gebied zijn het Fonds voor de Amateurkunst en het Landelijk Centrum voor de Amateurdans actief, die beiden choreografen subsidiŽren die met amateurdansers samenwerken. Hiermee is ongeveer een ton per jaar gemoeid.

Naast het Rijk treden ook provincies en vooral gemeenten op als danssubsidiŽnten. In Amsterdam, Rotterdam en Den Haag worden parallel aan de cultuurnota-periode subsidies verstrekt aan een beperkt aantal dansgezelschappen, die ook ministeriŽle subsidies ontvangen. Daarnaast verstrekken deze gemeenten ook incidentele subsidies aan dansprojecten. De gemeenten geven samen ruim 17 miljoen uit aan dans.

Naast de diverse overheden en publieke fondsen zijn er private fondsen en sponsors actief op het gebied van dans, waaronder het Prins Bernhard Fonds, het VSB-fonds en het Philip Morris Fonds. De totale uitgaven die deze fondsen (aan dans) doen, zijn wisselend en grotendeels onbekend.

Er werden in 1996 in totaal 135 dansinstellingen en -projecten en dergelijke in de danssector ondersteund via de overheid, exclusief een klein, onbekend aantal via de provinciale overheid. Het gaat dan om dansgezelschappen en ook festivals, dansvoorzieningen, opdrachten e.d. Er is overlap, omdat het aantal unieke instellingen en projecten niet bekend is. Met dit aantal van 135 subsidies was een bedrag gemoeid van 56.716.000 gulden. Het Rijk verstrekte 13% van het totale aantal subsidies, maar dit had betrekking op 62% van het totale bedrag.

Het Fonds voor de Podiumkunsten verstrekte 23% van het aantal subsidies maar deze bedroegen samen maar 4% van het totale bedrag (figuur 1). De gemeenten (inclusief gemeentelijke fondsen) namen 50% van het aantal subsidies voor hun rekening. Dit betrof 31% van het totale subsidiebedrag. De provincies namen 2% van het totale subsidiebedrag voor hun rekening voor een onbekend aantal projecten.

In de periode 1993-1998 valt een flinke stijging waar te nemen in de totale subsidie aan dans. Het aantal ondersteunde projecten is ook gestegen maar niet zo sterk. Het totale subsidiebedrag van het Rijk is in deze periode gestegen met 24%. Het aantal ondersteunde dansinstellingen is met 12% toegenomen. Een groot deel van de extra financiering is ten goede gekomen aan verbetering van de arbeidsvoorwaarden in de danssector.

Bij het Fonds voor de Podiumkunsten is ook een sterke toename te zien in het totale budget. De totale aan dans verstrekte subsidiebedragen zijn in de periode 1993-1996 toegenomen met 85%. Het aantal ondersteunde projecten steeg in deze periode met 48%.

De totale subsidiŽring van dans door de gemeenten Amsterdam, Rotterdam en Den Haag is eveneens gestegen, evenals het aantal projecten.

Wat de uitvoeringen betreft blijkt dat er in de periode 1989-1997 een stijging heeft plaatsgevonden in het aantal uitvoeringen van alle podiumkunsten van 47.000 naar 52.630 uitvoeringen per jaar (12% stijging). Het aantal dansvoorstellingen is ongeveer even sterk gegroeid, namelijk van 3.430 naar 3.810, wat neerkomt op een groei van 11%. Deze toename wordt veroorzaakt door uitvoeringen van moderne dans, want het aantal balletvoorstellingen daalde in dezelfde periode met 17%.

Het bezoek aan alle podiumkunsten is in de periode 1989-1997 met 31% gegroeid tot 14.917.000 per jaar. Ook op het gebied van dans vindt er een flinke groei plaats in aantal bezoeken, maar deze blijft achter bij die van het podiumkunstbezoek in het algemeen. Er is sprake van een stijging met 23% tot 907.000 dansbezoeken in '96/97. Overigens was er in het seizoen 1996-1997 een kleine daling (3%) ten opzichte van het vorige seizoen (zie figuur 2). De geconstateerde groei in het totale dansbezoek is geheel op het conto van moderne dans te schrijven, want bij balletbezoek vindt er (net als bij het aantal voorstellingen) een daling plaats.

Het gemiddeld aantal bezoekers per voorstelling is tot slot zowel bij podiumkunsten als bij dans toegenomen. In 1989 zaten er gemiddeld 215 mensen in de zaal bij een dansvoorstelling, terwijl dit er in 1997 238 zijn, wat neerkomt op een toename van 11%. Ook hier geldt weer dat er alleen een groei is bij moderne dans, terwijl er bij ballet een kleine daling is.

Sleutelfiguren aan het woord

Om zicht te krijgen op de opvattingen over eventuele knelpunten in de danssector, zijn met 21 sleutelfiguren interviews gehouden. Het betreft personen die betrokken zijn bij of werkzaam in de danswereld.

De geÔnterviewden vinden dat het Nederlandse dansaanbod zich over het algemeen op een hoog niveau bevindt. Toch valt er kritiek te beluisteren. Vooral over de kwaliteit van sommige moderne adhoc productiekernen is men minder tevreden. Als oorzaak wordt de geringe continuÔteit genoemd: de groepen hebben te weinig geld om goede dansers aan te trekken en te weinig repetitietijd. In dit verband wordt herhaaldelijk gesteld dat de subsidie te versnipperd is. Er wordt aan veel gezelschappen (te) weinig gegeven in plaats van aan weinig groepen veel. Hierdoor zou kwaliteit niet voldoende gehonoreerd worden. De geringe kwaliteit van sommige ad hoc-groepen zou naast het subsidiestelsel ook te maken hebben met de dansopleidingen in Nederland, die niet allemaal van voldoende hoog niveau zijn.

Over de meerjarig gesubsidieerde gezelschappen wordt over het algemeen positief geoordeeld. Wel wordt soms betwijfeld of deze dansgroepen wel voldoende artistieke lef hebben en een eigen gezicht. De verschillende gevestigde gezelschappen zouden te veel met dezelfde choreografen werken. Het is volgens sommigen dan ook de vraag of het publiek de verschillende gezelschappen nog wel uit elkaar kan houden.

De belangstelling voor jeugddans is groot. Goed vormgegeven Jeugddans heeft volgens een aantal personen een enorme groeimarkt. Dat blijkt ook uit de wachtlijsten voor gezelschappen die jeugddans brengen. Maar teveel groepen zouden zich er mee bezighouden en over de kwaliteit van jeugddans zijn nogal wat sleutelfiguren niet te spreken. Door de sleutelfiguren wordt bepleit jeugddans over te laten aan een beperkt aantal groepen, die zich daarop toeleggen.

Als grootste probleem noemen dansproducenten het vinden van een speelplek. Het groeiend aanbod in het moderne danscircuit wordt in verband gebracht met de sterke waardering van dansers voor het choreograferen en de toestroom van buitenlandse choreografen.

Daarnaast blijkt het moeilijk te zijn om avondvullende dansvoorstellingen te maken. Sommige podiumdirecteuren hechten echter weinig belang aan de duur van een voorstelling, als de kwaliteit maar goed is. Wel is er duidelijk behoefte aan meer klassiek (romantisch) ballet. Voor veel schouwburgen is Het Nationale Ballet te duur of hun podium-afmetingen zijn niet geschikt. Een aantal geÔnterviewden zoekt de oplossing in een kleinschalig reizend klassiek dansgezelschap. Ook is er behoefte aan dans die het midden houdt tussen klassiek en modern: dans die appelleert aan de belevingswereld van het publiek. Geconstateerd wordt dat er onder schouwburgen een grote bereidheid bestaat om dansgroepen uit de regio te programmeren. De invoering van stedelijke dansgezelschappen achten de geÔnterviewden echter weinig kansrijk, als niet ook de hele infrastructuur geŽnt is op stedelijke dansgezelschappen.

Hoewel de mogelijkheden binnen de dans om sterren te creŽren beperkt zijn, is er bij schouwburgdirecteuren behoefte aan grote namen onder de dansers om mee te adverteren. De publiciteitswaarde van sterdansers wordt onderkend, maar men denkt dat het creŽren van sterren niet zonder artistieke gevolgen kan blijven. Daarnaast is er nogal wat kritiek op het marketingbeleid van de dansgezelschappen. De gezelschappen zouden te weinig (goed) publiciteitsmateriaal aanleveren. Het houden van inleidingen of toelichtingen bij een dansvoorstelling wordt toegejuicht. Dergelijke activiteiten leiden volgens de geÔnterviewden niet tot meer danspubliek, maar wel tot een constanter publiek.

De gezelschappen

Om inzicht te krijgen in knelpunten waarmee de dansgezelschappen en productiekernen te maken hebben en wat zij als eventuele oplossingen zien, is een vragenlijst onder hen verspreid. Van de 67 gezelschappen stuurden er 41 de lijst terug, waardoor de respons 61% is.

Op basis van de ingevulde vragenlijsten kunnen de gezelschappen als volgt gekarakteriseerd worden. Driekwart heeft Amsterdam, Rotterdam of Den Haag als vestigingsplaats, maar het verzorgingsgebied strekt zich meestal uit over heel Nederland. Tweederde van de dansgroepen verzorgt uitsluitend dansproducties, terwijl de overigen ook actief zijn in andere, meestal aan dans verwante disciplines. Ruim de helft van de gezelschappen beperkt zich tot moderne of experimentele dans en driekwart van alle uitvoeringen vindt plaats in vlakke vloer-theaters.

De voornaamste inkomstenbron van de gezelschappen is voor een derde van de responderende dansgroepen meerjarige subsidie van OCenW, een kwart ontvangt geen subsidies van OCenW maar van het Fonds voor de Podiumkunsten en de rest van de gezelschappen (44%) functioneert op basis van onder meer provinciale subsidies en eigen inkomsten. Kenmerkend voor de gezelschappen is het kleine aantal dansers dat een arbeidscontract voor onbepaalde duur heeft (36%) en het geringe aantal formatieplaatsen: gemiddeld 0.5 fte per danser.

Ten aanzien van de productie van de gezelschappen blijkt het volgende. Gemiddeld genomen verzorgde een groep in 1997 5 producties, op basis waarvan 39 uitvoeringen plaatsvonden in Nederland. Deze uitvoeringen werden gemiddeld genomen bijgewoond door 290 bezoekers. De onderlinge verschillen tussen de gezelschappen zijn op dit punt bijzonder groot. De door OCenW betaalde top-5 verzorgt in Nederland 10 producties, 120 uitvoeringen voor gemiddeld 560 bezoekers. De overige OCenW groepen en de via het Fonds ondersteunde groepen zijn aanzienlijk minder productief. Deze laatste categorie heeft 4 producties, 28 uitvoeringen en 100 bezoekers per uitvoering. De overige groepen zijn nog iets minder productief maar hebben iets meer bezoek per uitvoering.

De dansgezelschappen geven aan vooral problemen te hebben met het vinden van (voldoende) geschikte podia. Van alle dansgroepen zegt 82% hier wel eens problemen mee te hebben. Met name de via het Fonds voor de Podiumkunsten ondersteunde groepen zien dit als een obstakel. Bij de meerjarig gesubsidieerde groepen speelt dit veel minder. De meest genoemde factor die hiervoor verantwoordelijk is, is volgens de gezelschappen de geringe bereidheid van de podia om dans te programmeren. Ook de geringe naamsbekendheid van de groepen en de geringe publieksbelangstelling worden in dit verband vaak als probleem gezien. Bovendien wordt het grote aanbod aan dansproducties als oorzaak genoemd van de problemen met het vinden van voldoende podia.

De oplossing voor het probleem met speelmogelijkheden wordt, naast de beschikbaarheid van grotere budgetten, vooral gezocht in de sfeer van een verbeterd marketing-beleid van de gezelschappen, waarbij ook speciaal op programmeurs gerichte pr moet worden ontwikkeld. Ook wordt door nogal wat gezelschappen veel verwacht van reprises van succesvolle stukken.

Het aantrekken van publiek wordt ook vaak als een knelpunt ervaren. Een ruime meerderheid van de dansgroepen (70%) ervaart dit als een probleem, met name de meerjarig gehonoreerde groepen (85%). Veel factoren worden hiermee in verband gebracht, maar de oorzaak wordt toch vooral gezocht, naast een tekort aan middelen, in gebreken in de communicatie. Er zou in het algemeen te weinig op dans gerichte educatie en voorlichting zijn en in het bijzonder zou de marketing-strategie van de podia tekort schieten. De podia zouden de promotie van dans moeten verbeteren en er wordt ook vaak gedacht aan betere promotie door de gezelschappen zelf, meer op programmeurs gerichte promotie en meer reprises van succesvolle stukken.

Naast de genoemde knelpunten heeft bijna elk gezelschap nog met andere problemen te kampen, vooral met het aantrekken van dansers (65%). Daarnaast wordt het verwerven van subsidies als een knelpunt ervaren (door 60%) en zaken die hiermee in verband staan zoals personeelstekort en huisvestingsproblemen (49%). Ook vaak genoemd wordt de geringe aandacht van de media (46%). Van artistieke meningsverschillen binnen het gezelschap heeft de ad hoc-sector soms last, terwijl de meer hiŽrarchisch georganiseerde OCenW-groepen hier helemaal niet mee te kampen hebben.

Programmeurs

Eťn van de problemen waarmee de danssector geconfronteerd zou worden, zou een zekere onwilligheid zijn bij de podiumdirecteuren om dans te programmeren. Programmeurs zouden weinig affiniteit hebben met dans. Om na te gaan in hoeverre dit juist is en om meer zicht te krijgen op de opvattingen van de programmeurs over dans is een deelonderzoek aan de programmeurs gewijd. Van de 117 benaderde theaters en podia respondeerden er 82 (70%).

Het blijkt dat het gemiddeld totaal aantal geprogrammeerde dansvoorstellingen in de theaters in '98/99 ten opzichte van '97/98 iets daalt van 14 naar 13 per theater. Deze daling is vooral toe te schrijven aan een daling van het aantal dansproducties van Nederlandse makelij van 12 in '97/98 naar 10 in '98/99. Het zijn vooral de kleine podia die minder dans zijn gaan programmeren. Voor seizoen '99/2000 kan volgens de programmeurs een lichte toename van het aantal voorstellingen van klassiek en modern ballet, moderne en folkloristische dans worden verwacht.

Op basis van een globale schatting van de zaalbezetting door de programmeurs is nagegaan hoe het volgens hen met de zaalbezetting staat. Deze is laag, namelijk tussen de 36 en 44%, alleen de zaalbezetting van klassiek ballet is aanmerkelijk hoger met 62%.

Gemiddeld programmeren de theaters 3 buitenlandse dansvoorstellingen in '97/98 (exclusief festivals). Dit aantal blijft gelijk in seizoen '98/99. Het aandeel van buitenlandse producties in het totale geprogrammeerde dansaanbod is vrij groot (19%). De concurrentie van buitenlandse dansgezelschappen kan in de toekomst nog iets groter worden. Buitenlandse gezelschappen voorzien vooral in de behoefte aan klassiek ballet en folkloristische dans. Bijna de helft van alle programmeurs vindt dan ook dat er te weinig Nederlands aanbod aan klassiek ballet is. Bij de kleine theaters is zelfs driekwart deze mening toegedaan. Een aantal kleine theaters zou graag meer klassiek ballet willen programmeren, maar dit is dus nauwelijks voorhanden.

De programmeurs vinden niet dat buitenlandse dansgezelschappen over het algemeen meer kwaliteit bieden dan Nederlandse gezelschappen. Wel zegt 35 ŗ 40% van de programmeurs dat buitenlandse gezelschappen beter klassiek ballet, betere jazzdans/hiphop/streetdance en betere folkloristische dans bieden. Circa de helft van de programmeurs vindt ook dat de buitenlandse gezelschappen meer publiek trekken en dat ze bekendere stukken dansen.

Het blijkt dat de programmeurs zich vooral op het dansaanbod oriŽnteren via impresariaten. Op de tweede plaats komt het zelf bezoeken van dansvoorstellingen. Daarnaast maken ze gebruik van het materiaalaanbod van de gezelschappen. Dit onderstreept hoe belangrijk het voor een klein dansgezelschap is bij een impresariaat aangesloten te zijn en verzorgd promotiemateriaal aan te bieden.

Er blijkt niets mis met de affiniteit van de programmeurs met dans, in tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht. 90% van de programmeurs vindt dans over het algemeen 'mooi' en bijna tweederde vindt dans 'inspirerend' en 'aansprekend'. Een grote affiniteit met dans blijkt vooral ook uit het feit dat bijna alle programmeurs zelf dans bezoeken met een hoge frequentie. Gemiddeld bezoeken de programmeurs 17 voorstellingen per seizoen. Ondanks de grote affiniteit met dans vindt toch ruim 30% van de programmeurs dat dans over het algemeen 'te ver van het publiek af staat'.

Vooral onvoldoende publieksbelangstelling en onvoldoende financiŽn zijn voor de programmeurs de belangrijkste belemmeringen om een dansvoorstelling te programmeren. De programmeurs zouden meer dans programmeren, wanneer dans meer publiek zou trekken en dus lucratiever zou worden. Daarnaast vinden de programmeurs een duidelijk profiel van de gezelschappen belangrijk. Ze moeten meer aan pr doen, als zij meer afname van hun dansproducties wensen.

Potentieel en trouw publiek

Gezien het exclusieve karakter van dans is een uitbreiding van het publiek niet gezocht onder segmenten van de bevolking, zoals ouderen of jongeren, maar onder een publiek dat al culturele competentie bezit, het 'cultureel actieve publiek', waartoe degenen worden gerekend die per jaar 6 keer (of vaker) een culturele activiteit bezoeken. 21% van de bevolking behoort tot het cultureel actieve publiek. Het cultureel actieve publiek is ondervraagd door een vragenlijst uit te delen bij dertien verschillende culturele manifestaties. De respons was 72%.

Modern ballet en moderne dans zijn de afgelopen 12 maanden door 18% van dit cultureel actieve publiek bezocht. Klassiek ballet werd door 12% bezocht, bewegingstheater, folkloristische dans en amateurdans werden ieder door circa 10% bezocht, jazzdans door 5%. Over het algemeen bezoekt slechts een kleine minderheid van 1 ŗ 3% meer dan tweemaal de verschillende dansvormen. Modern ballet is een uitzondering, omdat 7% van het culturele publiek deze dansvorm vaker dan twee keer per jaar bezoekt.

Het culturele publiek is zeer positief over dans. Circa driekwart vindt dans mooi en elegant, ruim de helft vindt dans aansprekend en ruim een derde van het publiek acht dans emotionerend en inspirerend. Negatief geformuleerde items vinden daarentegen nauwelijks bijval. Er is een verband tussen het bezoek aan dans en deze attitude ten opzichte van dans, maar bezoek aan folkloristische dans blijkt niet samen te hangen met een positieve visie op dans in het algemeen. De attitude ten opzichte van dans is - anders dan wel aangenomen wordt - gunstig, maar deze positieve attitude blijkt (nog) niet voldoende om mensen te bewegen naar dans te gaan.

Er zijn vier groepen onderscheiden (zie figuur 3). De eerste groep is het niet-(potentiŽle) danspubliek: 20% van het cultureel actieve publiek behoort hiertoe. Zij bezochten het afgelopen jaar geen professionele dans en ze zullen dat in de toekomst ook zeker niet doen. De tweede groep is het potentiŽle danspubliek. Dit is een grote groep van 48% die geen professionele dans bezocht, maar mogelijk wel een dansvoorstelling gaat bezoeken. Bij de meerderheid van deze groep blijft het overigens bij een voorzichtig 'misschien'. De derde groep is het (potentieel) afvallig danspubliek (17%). Zij gingen naar een dansvoorstelling, maar ze zijn er nog niet zeker van of ze de komende 12 maanden wel gaan, hoewel slechts 1% komend jaar zeker niet zal gaan. Echte afvallers zijn dus uiterst zeldzaam. De laatste groep is het trouwe danspubliek dat dans bezocht en de volgende 12 maanden ook weer zeker naar een professionele dansvoorstelling zegt te gaan. 15% van het culturele publiek kan hiertoe worden gerekend.

Deze vier publieksgroepen zijn redelijk gespreid over sociale categorieŽn. Zeer grote verschillen doen zich nauwelijks voor. Er is veel potentieel publiek voor dans te vinden onder de bezoekers van alle vormen van muziek, uitgezonderd opera en operette, waar vrij weinig potentieel publiek is. Ook het bezoek van de musea bestaat voor bijna de helft uit potentieel danspubliek. Vrij weinig potentieel publiek kan gevonden worden bij het toneel en vooral bij het cabaret. Bezoekers van amateurdans blijken daarnaast een bijzonder trouw publiek voor de professionele dans en om die reden zijn de bezoekers van amateurdans een aantrekkelijke groep voor danspromotie.

Binnen het culturele publiek is de leeftijd bepalend voor de cultuurvorm die men kiest. Ouderen kiezen voor traditionele cultuur. Jongeren kiezen vooral voor jeugdcultuur, voor lichte cultuur en daarnaast voor moderne cultuur. Kiest men voor moderne cultuur dan heeft men een positieve opvatting over dans, kiest men voor een licht repertoire dan is men negatief over dans. Moderne dans, jazzdans en bewegingstheater worden vooral door deelnemers aan de moderne cultuuruitingen bezocht.

Een dansvoorstelling is voor het potentiŽle publiek extra aantrekkelijk als er aansprekende en live muziek is, als er uitleg bij dans wordt gegeven, als er modern gedanst wordt, als ze de choreograaf of danser kennen, maar ook als er traditioneel gedanst wordt. Opvallend is vooral de overheersende rol van de muziek. Voor het potentiŽle publiek geldt dat onbekendheid met dans een belemmering kan vormen om naar dans te gaan. Daarnaast laat men zich weerhouden dans te bezoeken door het feit dat men vindt dat dans niet impulsief kan worden bezocht, dat men plaats en tijd van de voorstellingen niet kent en dat men de wijze van kaartjes kopen omslachtig vindt.

Tabel 2. Overzicht van de besproken toekomstige ontwikkelingen en hun effect op de vraag naar dans.
Maatschappelijke ontwikkeling Effect op vraag naar dans
  klassiek modern totaal
Vergrijzing *) + - -
Ontgroening - - -
Geringe stijging opleidingsniveau 0 0 0
Toename ťťn- en tweepersoonshuishoudens + ++ +
Opbloei van stedelijk leven + ++ +
Afname vrije tijd - - -
Vervluchtiging jeugdcultuur -- - -
Commercialisering van podia ++ + +
*) op korte termijn

Toekomstige ontwikkelingen

Voor het onderzoek is nagegaan wat voor belangstelling voor dans er redelijkerwijs verwacht kan worden in de nabije toekomst en hoe toekomstige ontwikkelingen van invloed kunnen zijn op de omvang van het danspubliek.

Tabel 2 laat een overzicht zien van de toekomstige ontwikkelingen en hun effect op de vraag naar dans. Hieronder zal kort worden ingegaan op de belangrijkste ontwikkelingen.

De verwachting is dat de 'vergrijzing' op lange termijn niet zal leiden tot meer vraag naar dans. Na het vijfenvijftigste jaar neemt het bezoek aan podiumkunsten steeds verder af. De vergrijzing kan op korte termijn wel een positief effect hebben op de vraag naar traditionele dans, dus naar klassiek ballet en folkloristische dans, omdat vooral ouderen een voorkeur hebben voor deze cultuurvormen.

De 'ontgroening' is een bedreiging voor de podiumkunsten in het algemeen, omdat er sprake zal zijn van een geringe aanwas van nieuw publiek. De gevolgen van de ontgroening voor de publieksbelangstelling zullen het eerst merkbaar zijn bij de complexe en onconventionele moderne cultuurvormen, omdat juist jongeren hiervoor een voorkeur hebben. Minder jongeren betekent dus minder vraag naar onconventionele dansstijlen.

Een hoge opleiding helpt bij het appreciŽren van een dansvoorstelling. Wat dit betreft is het huidige klimaat voor dans gunstig, aangezien het opleidingspeil van de Nederlandse bevolking hoog is en nog steeds iets stijgt, maar deze stijging is praktisch tot stilstand gekomen.

De toename van het aantal ťťn-en tweepersoonshuishoudens kan leiden tot meer vraag naar dans. Deze huishoudens bestaan vaak uit studenten of pas afgestudeerden. Studenten maken een belangrijk deel uit van het danspubliek. Zij vertonen vooral belangstelling voor onconventionele dansstijlen, zoals moderne dans, modern ballet en jazzdans.

Ook is een sterke groei te zien van het aantal beroepen in de stedelijke dienstensector. De groep personen die actief is op het gebied van cultuur, onderwijs, wetenschap en publiciteit stijgt verder in aantal. Deze wetenschappers, hogere leidinggevenden en kunstenaars concentreren zich vooral rond stedelijke centra, waar zich ook het grootste deel van het culturele leven afspeelt. Dit betekent een belangrijke impuls voor het culturele leven. Er zal sprake zijn van een toenemende belangstelling onder stedelingen voor de podiumkunsten en dan met name voor de moderne cultuurvormen.

Daarnaast is de hoeveelheid vrije tijd van invloed op het bezoek aan dans. De afname van de hoeveelheid vrije tijd van personen tussen de 20 en 50 jaar is het gevolg van de sterkere werkbelasting, flexibilisering van de arbeid en de opkomst van ťťn- en tweepersoonshuishoudens. De verwachting is dat de afname van de hoeveelheid vrije tijd zich voortzet. Dit betekent een ongunstige ontwikkeling voor de toekomstige vraag naar dans.

Verder blijkt dat jongeren zich langer met de jeugdcultuur zullen identificeren. Dit langer vasthouden aan de jeugdcultuur kan leiden tot weinig belangstelling voor vooral traditionele podiumkunsten, maar ook voor de moderne. Een betere aansluiting van dansproducties op de jeugdcultuur door middel van op jongeren gerichte promotie, het verwerken van aansprekende thema's, het gebruik van computers en populaire muziek kan een manier zijn om de belangstelling onder jongeren voor podiumkunsten te vergroten.

Tenslotte zal de concurrentie toenemen door de stijgende productiekosten. Dit zal ook leiden tot aanbod van buitenlandse producties, die vaak sterk gericht zullen zijn op de publieksvraag. Hierdoor en door commercialisering van de distributiekant, bijvoorbeeld door de combinatie van een podium met andere voorzieningen kan een nieuw publiek worden aangeboord.

Van doorslaggevend belang blijft de kwaliteit van toekomstige dansvoorstellingen. Gesteld kan worden dat aantrekkelijke en kwalitatief hoogwaardige voorstellingen altijd een publiek zullen weten te trekken.

Discussies

Om nog eens in detail na te gaan hoe er in de danswereld gedacht wordt over kansen voor de toekomst en mogelijke veranderingen zijn in het kader van dit onderzoek drie groepsdiscussies georganiseerd. In totaal hebben 29 personen uit de danswereld, zoals dansers, choreografen en zakelijk leiders aan de discussies deelgenomen.

De algemene teneur is dat de Nederlandse dans hoog staat aangeschreven. De discussiedeelnemers zijn vooral te spreken over de grote pluriformiteit van de Nederlandse dans. Maar juist door deze grote verscheidenheid is er volgens de discussiedeelnemers ook een weinig coherent geheel aan choreografieŽn en weinig solidariteit binnen de danssector. Hoewel een aantal discussiedeelnemers het met alle kritiek pertinent oneens blijft, erkent de meerderheid dat de kwaliteit van sommige dansvoorstellingen te wensen over laat. Ook zouden veel producties modieus zijn in plaats van vernieuwend. Daarnaast zijn de discussianten het er in grote lijnen over eens dat er eenvormigheid bestaat binnen het repertoire van een aantal gezelschappen.

Als oorzaak voor het gebrek aan kwaliteit wordt gewezen op het gebrek aan continuÔteit bij veel adhoc gezelschappen. Er is te weinig tijd, te weinig subsidie en te veel druk om de voorstellingsnorm van het Fonds voor de Podiumkunsten te halen. Daarnaast kampen de groepen met het probleem de dansers aan zich te binden. Ook voor de free-lance dansers brengt dit grote onzekerheid met zich mee.

De deelnemers zijn het er over eens dat de pr binnen de dans beter moet. Een eerste initiatief om te komen tot gezamenlijke danspromotie is al genomen door een door het DOD ondersteunde werkgroep. De discussiedeelnemers zien wel iets in een verdere ontwikkeling van deze werkgroep tot een landelijk promotiepunt dat algemene campagnes voert met als doel imagoverbetering van de Nederlandse dans en dat de promotie van gezelschappen kan ondersteunen. De deelnemers zijn het er over eens dat marketing niet op zich zelf kan staan, maar alleen fungeert naast andere maatregelen. Over het afstemmen van stukken op dansers zijn de meesten weinig enthousiast.

Er bestaat weinig animo voor regionale binding van een gezelschap. Alleen als een gezelschap zelf kiest voor vestiging in een bepaalde plaats zou het in sommige gevallen effect kunnen sorteren. Wel is men van mening dat het zinvol is om de samenwerking met een aantal regionale theaters te intensiveren. Dit is gunstig voor de publieksopbouw. De deelnemers stellen dat een goede samenwerkingsrelatie erg afhankelijk is van persoonlijke relaties tussen choreografen en theaterprogrammeurs.

Ook is er een zekere consensus onder de discussiedeelnemers om de continuÔteit in het adhoc-circuit te vergroten door bundeling van adhoc-dansers tot flexibele productiekernen. In deze productiekernen zou vernieuwing voorop moeten staan. Concentratie betekent niet alleen het bundelen van adhoc-dansers, maar ook samenwerking tussen free-lance choreografen. De selectie van de 'gebundelden' zou moeten plaatsvinden door een aantal vooraanstaande artistiek leiders die vertrouwen genieten bij de adhoc-sector. Ook de grotere gezelschappen zouden volgens de discussiedeelnemers niet mogen ontkomen aan beoordeling op hun artistieke merites. Men heeft de indruk dat dat te weinig gebeurt. SubsidiŽring van deze gezelschappen mag niet als vanzelfsprekend worden beschouwd en ook daar zou volgens sommigen concentratie moeten plaats vinden.

Conclusie

In deze conclusie wordt alleen op de kern van de bevindingen teruggekomen. De relatie tot de eerder gesignaleerde problemen wordt aangestipt.

Het belangrijkste probleem in de danssector is een tekort aan publieksbelangstelling. Hoewel het aantal bezoeken de afgelopen tien jaar fors is gestegen, met name voor moderne dans, is het aanbod ook toegenomen. Per saldo resulteert dit in lage bezettingsgraden. Dit leidt er toe dat de programmeurs terughoudend zijn bij de programmering van dans.

Uitgezonderd de door OCenW gefinancierde gezelschappen ervaren de gezelschappen dan ook grote moeite een speelplek te vinden. Alle gezelschappen, ook de door OCenW gefinancierde, geven toe dat ze moeite hebben een publiek te vinden. Het blijkt dan ook dat het aantal uitvoeringen per productie vrij laag is.

Het totale bedrag aan subsidies is de laatste jaren toegenomen. Een deel van deze stijging is besteed aan betere arbeidsvoorwaarden, maar het aantal ondersteunde projecten en groepen is ook opgelopen. Veel groepen moeten het daardoor stellen met onvoldoende middelen om zich professioneel te profileren. Dit leidt tot gebrek aan continuÔteit, met alle gevolgen van dien. Dit probleem speelt in de adhoc sector en ook bij de kleinere door OCenW gefinancierde gezelschappen.

Tot zover stemmen de resultaten van dit onderzoek overeen met de eerder gesignaleerde problemen. Er zijn ook punten waarbij de eerder gesignaleerde problemen niet door het onderzoek bevestigd worden.

Eťn van de eerder gesignaleerde problemen betrof de negatieve attitude van de programmeurs ten opzichte van dans. Dit blijkt onjuist. De programmeurs zijn helemaal niet negatief over dans en ze moeten zelfs, gezien de frequentie waarmee zij dans bezoeken, als fervente dansliefhebbers worden beschouwd. Als zij weinig dans programmeren heeft dit te maken met de bezettingsgraad. Een belangrijk punt, want dit betekent dat er geen principieel obstakel ligt op de weg naar meer uitvoeringen.

Wat de kwaliteit betreft kan het volgende worden opgemerkt. De kwaliteit van de Nederlandse dans wordt algemeen zeer hoog gevonden. Wel zouden de gevestigde gezelschappen te weinig een eigen gezicht hebben en het zou ze ontbreken aan artistieke durf. Ook is men van mening dat de kwaliteit van de producties van de kleinere gezelschappen nogal eens te wensen overlaat. Het gebrek aan continuÔteit en de versnipperde subsidiŽring zijn hier vooral debet aan.

Het gebrek aan publieksbelangstelling wordt wel in verband gebracht met verlies van publiek door een verondersteld gebrek aan kwaliteit. Bezoekers zouden teleurgesteld worden en niet opnieuw dans bezoeken. Uit het onderzoek blijkt echter dat mensen die na een dansbezoek niet nog eens dans willen bezoeken, nauwelijks te vinden zijn. Van grote teleurstelling is kennelijk maar zelden sprake. Niet grote afval, maar vooral onvoldoende toestroom van nieuw publiek door de gebrekkige pr speelt een rol bij de geringe publieksbelangstelling.

Zoals gezegd is het kernprobleem de publieksbelangstelling en daarnaast speelt de versnipperde financiering in de ad hoc sector een rol. De overige problemen moeten als ondergeschikt of afgeleid van deze kernproblemen worden beschouwd.

Perspectieven voor de toekomst

Op grond van de maatschappelijke ontwikkelingen lijkt het niet realistisch een automatische groei van de aandacht voor dans te verwachten. Wel zijn er gunstige ontwikkelingen, waarop ingespeeld kan worden, zoals de opbloei van het stedelijk leven, de toename van de een- en tweepersoonshuishoudens en de commercialisering van podia.

Het blijkt verder dat er momenteel al een omvangrijk potentieel publiek is. Via een goede marketing moet het mogelijk zijn een gedeelte van deze potentiŽle vraag te effectueren. Daarmee is gezegd dat het belangrijkste probleem in de danssector, de publieksbelangstelling, oplosbaar is.

In de volgende paragraaf wordt onder andere ingegaan op de wijze waarop deze potentiŽle vraag kan worden aangeboord.

Aanbevelingen

Hierboven zijn de problemen in de danssector en de wenkende perspectieven voor de toekomst besproken. In deze afsluitende paragraaf wordt een aantal voorstellen gedaan om de problemen het hoofd te bieden en om de perspectieven uit te buiten. Er wordt eerst ingegaan op maatregelen om de publieksbelangstelling te vergroten. Vervolgens komen verbeteringen bij de distributie aan bod en tenslotte wordt ingegaan op maatregelen om de aard van het aanbod beter af te stemmen op de vraag en om de kwaliteit en de continuÔteit bij de gezelschappen te verbeteren.

Bij het formuleren van de aanbevelingen zijn twee uitgangspunten gehanteerd. Op de eerste plaats is dat het primaat van de artistieke kwaliteit. Artistieke kwaliteit is in laatste instantie het belangrijkste criterium, waarop het effect van alle inspanningen beoordeeld zal moeten worden. Dit betekent enerzijds dat alle te ondernemen stappen gedragen zullen moeten worden door degenen die verantwoordelijk zijn voor deze kwaliteit: de choreografen en dansers. Anderzijds betekent dit dat niet-artistieke criteria, bijvoorbeeld bureaucratische, maar ook zakelijke, met enige reserve bezien dienen te worden.

Op de tweede plaats is er bij het formuleren van aanbevelingen gezocht naar concrete maatregelen, waarvan aangenomen kan worden dat ze niet alleen op korte termijn te verwezenlijken zijn, maar die ook op afzienbare termijn tot resultaat kunnen leiden. Aanbevelingen die in dergelijke studies bijna standaard worden gedaan, zoals meer samenwerking, betere afstemming, meer overleg en dergelijke, ontbreken derhalve nagenoeg geheel. Meestal leiden dergelijke panacees er immers toe dat men eindeloos gaat overleggen. Soms worden ze zelfs aangegrepen om verandering op de lange baan te schuiven. Bovendien zijn ze kostenverhogend, omdat er mensen nodig zijn die het overleg in goede banen leiden.

Publiek

Aanbevelingen met betrekking tot het aantrekken en vasthouden van een nieuw publiek komen hier niet toevalligerwijze als eerste aan bod. Hoewel de danswereld zich mag verheugen in een sterke publieksgroei de afgelopen tien jaar, moet opgemerkt worden dat deze groei is achtergebleven bij de groei van het publiek voor alle podiumkunsten tezamen. Verder kan met de huidige bezettingsgraden onmogelijk van de programmeurs verwacht worden dat zij hun repertoire met dans zullen uitbreiden. Algemene promotie is ook nodig omdat het toekomstperspectief niet zonder meer gunstig is. Er moet absoluut iets gebeuren.

Het publiek staat bepaald niet onwelwillend tegenover dans. In tegendeel er is een omvangrijk potentieel publiek en opvallend is dat er nauwelijks echte afvallers te vinden zijn, mensen die na een bezoek aan dans niet nog eens een dansvoorstelling willen bezoeken. Er kan dus verwacht worden dat nieuw geworven publiek blijft komen, waardoor het rendement van promotie zeer groot kan zijn. Ook de programmeurs denken positief over dans, zodat toenemende vraag van het publiek snel in toenemende programmering zal worden omgezet. Dans is verder niet alleen een bijzonder aantrekkelijk product, het appelleert ook minder aan cognitieve vaardigheden, dan veel andere cultuuruitingen. Men hoeft dans niet te begrijpen, men moet dans ervaren, zoals meermalen werd gesteld. Dat is ook het geval met muziek. Waarschijnlijk werkt dit niet-cognitieve aspect momenteel als een obstakel. Het publiek wil iets begrijpen en ziet er van af, omdat men denkt dat dat toch niet lukt. Maar dit obstakel houdt evenzeer in dat het potentiŽle publiek in principe de hele bevolking kan omvatten, zoals dat evenzeer bij muziek het geval is. Nieuwe en onverwachte doelgroepen, zoals laag opgeleiden, jongeren of allochtonen, zouden dus in principe, overigens wel met een toegesneden aanbod, bereikbaar moeten zijn. Tenslotte is de kwaliteit van de Nederlandse dans hoog en dans kan goed aansluiten op moderne trends in de consumptie, waarbij de nadruk meer ligt op de bijzondere ervaring dan op aspecten als kennis, connaisseurschap, luxe, status, comfort en dergelijke.

Deelname aan de moderne cultuur en de attitude ten opzichte van dans zullen de richting van de promotie moeten bepalen. Promotie moet gericht zijn op (nog verdere) verbetering van de attitude van deelnemers aan de moderne cultuuruitingen. Ook het klassieke ballet zal hiervan profiteren, zij het in mindere mate. Alleen voor de folkloristische dans heeft een dergelijke promotie geen effect. Publiek voor folkloristische dans moet veeleer gezocht worden onder de bezoekers van de traditionele cultuur.

Waar het bij het potentiŽle publiek vooral aan ontbreekt is bekendheid en vertrouwdheid met dans. Daar is op veel verschillende manieren wat aan te doen. Voorop moet staan dat men van zins is een behoorlijke inspanning te leveren. Via promotie moet het potentiŽle publiek in aanraking worden gebracht met dans. De promotie zal ter hand moeten worden genomen door twee partijen. Op de eerste plaats door de gezelschappen en productiekernen zelf en op de tweede plaats door een promotiepunt. Daarnaast worden de podia zoveel mogelijk betrokken bij de promotie.

Om met het promotiepunt te beginnen. Het is niet redelijk te verwachten dat de gezelschappen uit eigen middelen een langlopende en meeromvattende algemene promotiecampagne ter hand kunnen nemen. Daarom zouden er door de hiervoor meest aangewezen overheid, het Rijk, middelen moeten worden vrijgemaakt om een promotiepunt op poten te zetten. Dit promotiepunt dans heeft een algemene, maar ook een ondersteunende functie. Bij de algemene promotie wordt vooral aansluiting gezocht bij de moderne, hedendaagse cultuur.

Er wordt een campagne gestart die wat langer loopt, bijvoorbeeld twee jaar. In de campagne wordt met verschillende middelen, zoals advertenties, folders, flyers, kennismakingsreducties, combinatieaanbiedingen et cetera cultureel publiek benaderd. Deze algemene steeds doorlopende campagne wordt weer ondersteund door speciale evenementen, die veel media-aandacht trekken, zoals spectaculaire locatieprojecten of volkomen onverwachte samenwerkingsverbanden (bijvoorbeeld een productie van Concertgebouworkest samen met NDT op een speciale locatie) en themaweken. Steeds wordt expliciet duidelijk gemaakt dat het om dezelfde campagne gaat, bijvoorbeeld door een logo en door aansprekende (maar niet te platte) one-liners, die steeds terugkeren. Het bovenstaande betreft uiteraard alleen maar voorbeelden om de gedachten te bepalen. De campagne moet door professionals worden voorbereid. Om deze speciale evenementen te kunnen organiseren krijgt het promotiepunt ook een behoorlijk productiebudget, waarmee het gezelschappen opdrachten kan geven voor speciale producties.

Naast deze algemene campagne ondersteunt het promotiebureau de eigen promotie-activiteiten van de gezelschappen. Enerzijds probeert het bureau te bewerkstelligen dat de pr-activiteiten van de gezelschappen aansluiten op en terugverwijzen naar de algemene campagne. Anderzijds geeft het promotiepunt gevraagd en ongevraagd adviezen over de wijze van aanpak, zowel wat de pr richting programmeurs betreft, alsook wat betreft de publiekswerving. Uiteraard waakt men er voor de eigen pr van (met name de grote) gezelschappen niet te doorkruisen.

De danswereld staat sceptisch tegenover 'sterren'. In de Nederlandse context is een dergelijke afkeer van elitistische gedachten gebruikelijk. Er zijn echter wel dansers die voor zo'n status voelen en de critici van het sterrendom schijnen de kracht van een dergelijk marketinginstrument te onderschatten. Hier wordt er in ieder geval krachtig voor gepleit ten minste te onderzoeken of een aantal dansers als ster geprofileerd zou kunnen worden. Het promotiepunt zou het gezelschap dat een ster wil profileren ondersteunende expertise kunnen bieden hoe dat aangepakt kan worden. Overwogen zou ook kunnen worden hiertoe bepaalde stukken op dansers af te stemmen. Vanzelfsprekend zullen in de algemene campagne de pr-mogelijkheden van dergelijke sterren worden gebruikt.

Met het oog op de promotie bij de jeugd, biedt het promotiepunt ondersteuning bij educatieve activiteiten en het wordt aanspreekpunt voor het vak CKV, bijvoorbeeld voor de zogenaamde Steunpunten. Daarnaast stimuleert het punt specifieke producties die op de jeugd gericht zijn, door locatiekeuze of door samenwerking met andere disciplines, zoals popmuziek.

Organisatorisch gezien dient dit promotiebureau op een zekere afstand geplaatst te worden van de danswereld. Als iedereen zich er mee gaat bemoeien loopt het spaak. De nadruk moet liggen op de professionaliteit van de promotie. Er wordt dus niet gedacht aan de oprichting van een (overigens al bestaande) werkgroep waarin 'iedereen' vertegenwoordigd is.

De gezelschappen en productiekernen zullen daarnaast de promotie van hun product veel serieuzer ter hand moeten nemen. Dat vinden ze zelf trouwens ook. Dit betreft zowel de promotie naar de programmeurs alsook de promotie naar het publiek. Het gaat dan niet alleen om de beschikbaarheid van verzorgd en informatief materiaal. Dat het materiaal altijd Ťn verzorgd Ťn beschikbaar Ťn informatief moet zijn, is zo vanzelfsprekend dat het niet nodig zou moeten zijn dat in dit rapport nog eens op te merken. Ook dient men meer aandacht te geven aan het doel van het materiaal. Zo worden bijvoorbeeld de affiches door sommigen soms wel artistiek interessant, maar bijzonder weinig wervend gevonden.

Daarnaast zouden de gezelschappen vaker hun publiek tegemoet kunnen komen door vůůr of na de voorstelling uitleg te geven of de mogelijkheid te bieden vragen te stellen. Een groot deel van het publiek heeft hier behoefte aan en met name bij kleinschaliger voorstellingen kan dit goed aansluiten op het karakter en de sfeer van de voorstelling, maar ook bij grotere producties valt zoiets te regelen.

Tenslotte zouden de gezelschappen en productiekernen veel vaker moeten overwegen hun product af te stemmen op de voorkeuren van het publiek. Niet door artistieke concessies te doen, maar door te overwegen of aan bepaalde keuzen wel altijd valide artistieke motieven ten grondslag liggen. Het is bijvoorbeeld opvallend dat veel producties om en nabij de 60 minuten duren. Is dat nu artistieke noodzaak of is een wat korter stuk aangebreid tot een verkoopbaar product. En was aanbreien tot 60 minuten dan per definitie de enige artistiek verantwoorde beslissing. Of is het zo dat er ook alternatieven zijn, bijvoorbeeld een co-productie met een andere groep, die met hetzelfde probleem zit. Op die wijze wordt het publiek in ieder geval veel beter bediend, maar zonder artistieke concessies te doen.

Ook samenwerking met amateurs kan een manier zijn om het product af te stemmen op de voorkeuren van het publiek en de publieksbelangstelling te vergroten. De professionals voelen niet voor samenwerking met amateurs, maar men kan zich ook hier afvragen of deze geringe bereidheid met amateurs samen te werken uitsluitend gebaseerd is op zuiver artistieke motieven. Waarschijnlijk spelen ook andere zaken een rol, bijvoorbeeld het feit dat met amateurs werken in de danswereld niet veel status heeft of het feit dat het van de professional een zekere omschakeling vergt, wat altijd lastig is.

Tenslotte kan het product afgestemd worden op de voorkeuren van het publiek door een sterkere profilering van het eigen gezicht van het gezelschap. Een eigen profiel vergroot de herkenbaarheid voor het publiek.

De subsidiŽnten zouden basis-eisen over promotie in hun subsidievoorwaarden kunnen opnemen. Van hun kant dienen ze er dan ook middelen voor beschikbaar te stellen.

Distributie

Op het gebied van de distributie zijn in principe niet veel problemen meer te verwachten, indien via promotie een groeiend publiek wordt bereikt. De programmeurs zullen zeker vaker dans brengen als zij merken dat de bezettingsgraad oploopt. De danswereld kan beter ophouden wat dit betreft beschuldigend naar de programmeurs te wijzen.

In verband met de promotie zouden gezelschappen veel nauwer met de programmeurs moeten samenwerken, bijvoorbeeld door het organiseren van speciale manifestaties, een reeks van voorstellingen, dansvoorstellingen op een vaste dansdag in de week, afspraken over premiŤres, workshops, co-producties met amateurs, locatieprojecten, verblijf van een maand in een stad bijvoorbeeld tijdens een zomerfestival, speciale aanbiedingen en dergelijke.

Gezelschappen zouden moeten kiezen voor een speciale band met ťťn of twee theaters. Dit hoeft niet de thuisbasis van het gezelschap te zijn. Een Amsterdams gezelschap kan bijvoorbeeld met een regionale schouwburg afspreken alle premiŤres daar te brengen en daarop aansluitend zouden er afspraken gemaakt kunnen worden over een aantal speciale activiteiten van het gezelschap, zodat er bij het publiek het besef ontstaat dat er tussen de regionale stad en het gezelschap een speciale band bestaat. Zo kan het gezelschap een eigen danspubliek in de regio vinden. Daarop aansluitend kan er samenwerking gezocht worden met plaatselijke kunstenaars, met scholen, amateurdansverenigingen en bedrijven. Ook sponsoring kan in de regio gezocht worden om de eigen inkomsten te verhogen en de regionale verbondenheid te vergroten. Het promotiepunt Dans kan bemiddelen bij dergelijke samenwerkingsverbanden, die zich over een wat langere termijn (bijvoorbeeld minimaal vier jaar) zullen moeten uitstrekken, omdat bij een kortere looptijd de investeringen in tijd en geld niet lonen.

De schouwburg zou ook productiemiddelen ter beschikking kunnen stellen. Dit zal er toe leiden dat de schouwburgdirecteur invloed verwerft op de inhoud van het artistieke product. Financiering, in de vorm van het bieden van faciliteiten of rechtstreeks door een bijdrage aan de productiekosten, zal door de schouwburg niet ter beschikking worden gesteld zonder afspraken vooraf over de aard van de productie. Dit hoeft niet bezwaarlijk te zijn, aangezien enerzijds de financiering door de schouwburg altijd beperkt van omvang zal blijven. Het gaat om een bijdrage in de productiekosten of het bieden van faciliteiten, niet om volledige financiering. Het gezelschap kan met andere woorden altijd nog nee zeggen en er worden vooraf duidelijke afspraken gemaakt. Anderzijds kan dit er juist toe leiden dat de productie beter aansluit op publieksvoorkeuren.

Een dergelijke rol van een schouwburg brengt kosten mee. SubsidiŽring kan enerzijds plaats vinden via de door de Staatssecretaris in het vooruitzicht gestelde programmeringsgelden, anderzijds zou er ruimte gezocht kunnen worden bij de meerjarige financiering van OCenW. Het gaat ten slotte om initiatieven die pas bij een wat langere looptijd rendabel kunnen zijn.

Aanbod

Er is momenteel veel aanbod en de kwaliteit van het aanbod is hierdoor niet altijd optimaal. Het ligt dan ook voor de hand een aantal maatregelen voor te stellen om dit aanbod te optimaliseren.

Allereerst kan het volgende worden opgemerkt. Bij discussies over de structuur van het aanbod wordt wel gepleit voor een functionele aanpak. Men vraagt zich eerst af welke functies het dansbestel geacht kan worden te vervullen: aanbod in klassiek ballet, moderne dans, folkloristische dans, jeugddans et cetera. Vervolgens wordt het dansbestel zo ingericht dat er in ieder van deze genres voldoende aanbod is. Hier wordt er voor gepleit meer nadruk te leggen op de kwaliteit en functionele vereisten te beschouwen als een ondergeschikt en hooguit aanvullend criterium. Het is niet wenselijk een kwalitatief niet helemaal volwaardig aanbod in een bepaald genre te creŽren, louter omdat er nu eenmaal behoefte aan is. Dat bepaalde genres ontbreken is minder nadelig voor de danssector als geheel dan wanneer deze genres wel gebracht worden, maar kwalitatief onvolwaardig.

Algemeen wordt momenteel geaccepteerd dat een zekere mate van concurrentie heilzaam is, niet alleen in termen van bijvoorbeeld publieksgerichtheid, maar ook met het oog op de artistieke kwaliteit. Op de vorige alinea aansluitend kan daarom worden gesteld dat het in zijn algemeenheid ook niet wenselijk geacht moet worden, wanneer ťťn genre door slechts ťťn gezelschap wordt aangeboden. Op grond van algemene inzichten moet in dat geval gevreesd worden voor een sub-optimale kwaliteit.

Wat de gevestigde gezelschappen betreft wordt de situatie momenteel gekenschetst door een onderaanbod klassieke dans en een overaanbod moderne dans. Wat het eerste betreft zou, met het oog op bovenstaande algemene opmerkingen, overwogen kunnen worden naast Het Nationale Ballet een nieuw gezelschap te creŽren voor klassiek ballet. Dit gezelschap zou met name kunnen inspelen op de grote vraag naar klassiek ballet dat gebracht kan worden op een wat kleiner podium en op de vraag die er volgens een aantal podiumdirecteuren is naar dans die een brug vormt tussen figuratieve en abstracte dans. Het zou een vrij klein gezelschap kunnen zijn, maar niet zo klein dat het bijvoorbeeld een danser met sterstatus te weinig te bieden heeft en geen reputatie kan opbouwen1. Meer aanbod aan dergelijk min of meer klassiek repertoire zal op termijn ook leiden tot meer publieksbelangstelling voor moderne dans.

Het overaanbod aan moderne dans blijkt uit het feit dat bijna alle gezelschappen problemen ondervinden met het vinden van een podium, uit de lage bezettingsgraden en uit het geringe aantal voorstellingen per productie. Men kan natuurlijk ook van een vraagtekort spreken. Het overaanbod kan aangepakt worden door het vrij grote aantal gevestigde gezelschappen enerzijds bijzonder kritisch op kwaliteit te beoordelen en anderzijds concentratie onder de wat kleinere gevestigde gezelschappen na te streven. Hierbij moet overigens onmiddellijk worden opgemerkt dat men in de danswereld over het algemeen concentratie, in de zin van samenwerking tussen twee gevestigde gezelschappen, een onhaalbare kaart acht.

Wat jeugddans betreft moet opgemerkt worden dat sommige personen over de kwaliteit niet te spreken zijn. Het is niet helemaal duidelijk waarom de kwaliteit te wensen zou overlaten. Er zijn immers meerdere gezelschappen die zich hierop toeleggen. Wel is het zo dat er momenteel van concurrentie geen sprake is. De gezelschappen hebben er totaal geen moeite mee hun voorstellingen te slijten, er is meer vraag dan aanbod. Het voorstel van een aantal sleutelfiguren om jeugddans alleen uit te laten voeren door een aantal gespecialiseerde gezelschappen en de overige gezelschappen geen jeugddans te laten brengen, lijkt zinnig. Maar dit is momenteel al min of meer de praktijk.

Bij de adhoc-sector is gebrek aan continuÔteit en gebrek aan speelmogelijkheden het grote probleem. Dit probleem kan worden aangepakt door bundeling van dansers en choreografen in goed geoutilleerde productiehuizen. Daarbij moet worden opgemerkt dat de sturingsmogelijkheden door subsidiŽnten in de adhoc-sector beperkt zijn. Enerzijds betreft het grotendeels individuele choreografen, die uit artistieke overwegingen individueel gericht zijn. Anderzijds zijn er door het grote aantal financiers en het uitgebreide vangnet aan sociale voorzieningen altijd mogelijkheden zich in een marginale positie te handhaven. Beleid op dit punt kan derhalve alleen gericht zijn op het bieden van positieve incentives. Wat de wijze van financiering betreft moet gedacht worden aan meerjarige (vier jaar) financiering. Een dergelijk productiehuis moet de kans krijgen zich te profileren en een band met publiek en programmeurs op te bouwen en daar is tijd voor nodig.

Concentratie in de adhoc sector zal vanwege de beperkte sturingsmogelijkheden van de subsidiŽnten vanuit die sector zelf ter hand moeten worden genomen. Choreografen die zich daartoe geroepen voelen werpen zich op als artistiek leider van een 'bundel' adhoc choreografen en dansers. Het idee is dat de artistiek leider weliswaar eindverantwoordelijkheid draagt voor de artistieke kwaliteit van de producties, maar toch de gebundelde choreografen voldoende ruimte biedt. Binnen een productiehuis is er daarnaast een pool van dansers die met verschillende choreografen producties maken. Zo kan de dansers meer geboden worden in termen van continuÔteit en arbeidsvoorwaarden.

De artistiek leiders dienen plannen in voor meerjarige (vier jaar) subsidiŽring, die uiteraard op te verwachten of gebleken kwaliteit beoordeeld worden. Als tegenprestatie worden er hoge eisen gesteld aan de publieksaantallen, aan de kwaliteit en aan het eigen gezicht van het gezelschap. Een productiehuis moet zich profileren om voor subsidie in aanmerking te komen.

Er wordt wel gedacht dat leiding van een productiehuis door een actieve choreograaf zal meebrengen dat de choreograaf het merendeel van de middelen voor eigen producties zal aanwenden. Zo nodig kunnen hiertegen waarborgen worden ingebouwd. Maar in geen geval moet de artistieke leiding in handen gegeven worden van een niet-kunstenaar of van een niet meer actieve kunstenaar. De artistieke kwaliteit kan alleen door een actieve kunstenaar bewaakt worden en alleen een actieve kunstenaar kan een dergelijk productiehuis een eigen gezicht geven.

Tot slot moet hier nog worden opgemerkt dat een dergelijk productiehuis, in tegenstelling tot een werkplaats, niet gericht zal zijn op doorstroming van dansers en choreografen. Men zal het eigen profiel juist willen uitbouwen door goede choreografen en dansers te behouden. Anderzijds zal een dergelijk productiehuis verschillen van de gevestigde gezelschappen doordat men met meer verschillende choreografen werkt en veel meer gericht is op kleinschalige producties, met name voor de vlakke vloer theaters.

Afsluiting

Zoals hierboven is gesteld, zijn er momenteel wel degelijk problemen in de danssector, maar daar staat tegenover dat de perspectieven voor de toekomst bepaald niet slecht zijn. Om die perspectieven te realiseren is een integrale aanpak nodig. De danswereld zal daarom een flinke gezamenlijke inspanning moeten leveren.

Noten

  1. Als vestigingsplaats ligt Utrecht voor de hand, dat ver achterblijft bij de drie andere grote steden wat betreft dansvoorzieningen.