7 Pilots Culturele Diversiteit

Een evaluatie van de eerste fase van de pilots in Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Eindhoven, Groningen, Maastricht en Almere, uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

Bureau Driessen, Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek
Utrecht, 8 juni 2000

Hoofdstuk 7
Conclusie

Voor de evaluatie van zeven pilots in het kader van het Actieplan Cultuurbereik zijn met 52 informanten gesprekken gevoerd. Deze informanten zijn bij de pilots betrokken als lokale bestuurders, ambtenaren, uitvoerders, commissieleden, cultuurmakers en vertegenwoordigers van de doelgroepen. Een samenvatting van de bevindingen is aan het eind van ieder hoofdstuk te vinden. In deze conclusie wordt alleen verwezen naar de bevindingen voor zover die direct relevant zijn voor de evaluatie. Eerst wordt ingegaan op het succes van de pilots.

Positieve punten

De pilots zijn een groot succes, omdat hiermee is aangetoond dat er grote steun voor het ontwikkelde beleid en voor het gekozen instrumentarium bestaat. Dat blijkt het duidelijkst uit het feit dat dit grote succes 'veel vaders' heeft: Velen stellen dat men al lang op de ingeslagen weg bezig was. Ook blijkt dat er bij de gemeenten een grote bereidheid is om geld voor het Actieplan vrij te maken. Deze sterke steun is een stevig fundament voor de uitvoering van het beleid en ook de (gematigd) optimistische verwachtingen over de effecten van het Actieplan zullen een stimulans zijn bij de verdere uitvoering van dit plan.

Daarnaast zijn er tekenen dat de gevestigde culturele instellingen door het plan 'in beweging' zijn gekomen. Dat dit volgens sommigen niet van harte gaat is misschien jammer, maar niet essentieel.

Kleinere knelpunten

Een knelpunt wordt gevormd door onduidelijkheid en onvrede over de landelijke subsidieregelingen voor kleinschalig podiumkunsten. Het verdient aanbeveling deze 'storing' zo snel mogelijk op te ruimen en beslissingen daaromtrent niet uit te stellen.

Het gekozen beleidsmodel in Maastricht past voortreffelijk in het project Cultuur en School. Het sluit echter niet helemaal aan op de geest van het Actieplan.

Over monitoring van de prestaties is nog niet nagedacht. Omdat een voormeting ontbreekt, behoort een zuivere effectmeting inmiddels niet meer tot de mogelijkheden. Overigens is het de vraag of bij zo'n heterogene verzameling projecten effectmeting ('meetbare doelstellingen') het doel moet zijn. Het lijkt verstandiger de ambities op een heel wat lager niveau af te stemmen.

Een wat groter knelpunt

De invloed van de gemeentelijke ambtenaren op de keuze van de beleidsmodellen is in veel gevallen te groot geweest. Zij hadden ook een grote rol bij de verdere projectmatige invulling van de pilots. Het is mogelijk dat de ambtenaren bij deze keuze van projecten het belang van organisaties die met vrijwilligers werken onderschatten. De grote rol van de ambtenaren heeft niet alleen te maken met de tijdsdruk waaronder de pilots tot stand zijn gekomen. Ambtenaren blijken ook graag te willen sturen.

Een groot knelpunt: De rol van de doelgroepen

Er zijn maar erg weinig projecten (mede) gericht op allochtone volwassenen en de geringe betrokkenheid van de doelgroepen bij de opzet van de pilots is een grote misser. Hoewel de gemeenten wat dit betreft voor volgend jaar beterschap beloven, maken zij - uitzonderingen daargelaten - weinig haast met het geven van een stem aan de doelgroepen in een begeleidingscommissie.

De toegankelijkheid voor de doelgroepen kan ook bevorderd worden door een open inschrijving bij het uitbesteden van de projecten. Het valt niet zo gemakkelijk in te zien hoe de argumenten voor een meer open inschrijving genegeerd zouden kunnen worden, als men dat al zou willen.

De rol van OCenW

Uit deze evaluatie doemt een serieus dilemma op voor OCenW. Enerzijds zijn sommige bevindingen zodanig dat een grotere oplettendheid geboden is. Met name de rol van de doelgroepen bij de uitvoering van het Actieplan verdient scrutineuze aandacht. Anderzijds wordt OCenW bemoeizucht verweten en hoewel gesteld kan worden dat dit verwijt deels op een automatisme is terug te voeren, zal er toch rekening mee moeten worden gehouden.

Een oplossing zou gevonden kunnen worden door van de deelnemers slechts twee zaken te eisen. Ten eerste dat de begeleidingscommissie tenminste voor de helft uit vertegenwoordigers van de doelgroepen bestaat en daadwerkelijke beslissingsbevoegdheid heeft over de besteding van de gelden. Ten tweede dat de inschrijving voor de projecten tenminste gedeeltelijk een open karakter heeft.

Voor het overige zou OCenW van iedere bemoeienis kunnen afzien. Dit zou men ook symbolisch vorm kunnen geven door niet langer kennis te nemen van de inhoud van de projecten (dan komt men ook niet in de verleiding zich er mee te bemoeien) en een globale beschrijving van deze projecten niet langer in convenanten op te nemen.