Toespraak van drs. F.M.H.M. Driessen

Toespraak van drs. F.M.H.M Driessen, directeur van Bureau Driessen, bij de aanbieding van het rapport 'Effecten van Hoge Doses Methadon' aan mevrouw E. Borst-Eilers, Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Den Haag, Nieuwspoort, 4 februari 2002


Mevrouw de Minister, dames en heren,

Ik zal een korte toelichting geven op het experiment Hoge Doses Methadon. Eerst vertel ik iets over de achtergrond.

Zoals u weet wordt in Nederland sinds het einde van de jaren 70 methadon verstrekt aan heroïneverslaafden. Methadon is een vervangend middel, het dempt het verlangen naar de heroïne, waardoor de verslaafde minder afhankelijk wordt van zijn verslaving. Hij of zij kan een wat rustiger leven gaan leiden, waarin bijvoorbeeld plaats is voor werk of opleiding. Maatschappelijke integratie kan op deze manier bereikt worden.

In Nederland zijn altijd lage doses methadon verstrekt. Dit heeft te maken met het feit dat de methadon hier vaak beschouwd werd als een opstap naar afkicken. Eerst zou de verslaafde overstappen van heroïne op methadon en daarop volgend kon dan de methadon stapsgewijs worden afgebouwd. De voor de hand liggende gedachte was, dat het moeilijker zou zijn van een hoge dosis methadon af te bouwen dan van een lage dosis en daarom werd de voorkeur gegeven aan lage doses. Zoals gezegd dat is een voor de hand liggende veronderstelling, alleen hij klopt waarschijnlijk niet. In onderzoek is nooit aangetoond dat afbouwen van lage doses methadon gemakkelijker is dan afbouwen van hoge doses. Hoe dit zij, dergelijke zogenaamde afbouwschema's werden vrij veel toegepast in Nederland en daarom bleef de dosis laag.

Eind jaren 80 en begin jaren 90 kwam er in Amerika steeds meer onderzoek beschikbaar, waaruit bleek dat hoge doses methadon effectiever zijn dan lage doses. Sommige onderzoekers concludeerden zelfs dat lage doses methadon eigenlijk contraproductief zijn bij de behandeling van verslaving.

In Nederland leidde dit Amerikaanse onderzoek echter niet tot een verhoging van de doses methadon. Dit had behalve met de genoemde afbouwschema's en met ingesleten gewoontes ook te maken met het karakter van de methadonverstrekking hier in Nederland. In het buitenland worden vaak strikte voorwaarden gesteld door de methadonprogramma's. De deelnemers aan zo'n programma mogen bijvoorbeeld helemaal geen drugs meer bijgebruiken en er zijn frequente urinecontroles om na te gaan of men zich daar wel aan houdt. In Nederland is de verslavingszorg echter laagdrempelig. Er zijn weinig voorwaarden, het doel is vooral zoveel mogelijk verslaafden te bereiken.

Het was nu niet duidelijk of de hoge doses methadon ook bij laagdrempelige methadonverstrekking, zoals hier in Nederland gebruikelijk, wel effectief zouden zijn. Konden de onderzoeksbevindingen wel gegeneraliseerd worden naar laagdrempelige verstrekking, dat was de vraag.

Omdat dit niet duidelijk was werden eerst twee kleine verkennende studies uitgevoerd. Daarop aansluitend gaf het Ministerie van VWS eind 1996 opdracht de effectiviteit van hoge doses methadon in de Nederlandse laagdrempelige methadonprogramma's te onderzoeken.

In dit onderzoek werd een experimentele methode gevolgd door twee groepen samen te stellen op basis van het toeval. De ene groep, de controlegroep, kreeg een methadondosis zoals die hier in Nederland gebruikelijk is, dat wil zeggen minder dan 85 milligram per dag. De andere groep, de experimentele groep, werd langzaam opgebouwd naar een dosis boven de 85 milligram. Die dosis was ten hoogste 160 milligram per dag, gemiddeld was hij 125 milligram. Beide groepen kregen verder precies dezelfde behandeling, namelijk de standaard behandeling in een methadonprogramma. Wel was er extra toezicht, in verband met eventuele risico's van hoge doses, maar dit extra toezicht werd aan beide groepen in dezelfde mate gegeven. De 247 deelnemers werden 22 maanden gevolgd.

Hoe stonden deze deelnemers er nu voor na die 22 maanden, een kleine twee jaar later? Op de eerste plaats is gekeken naar het druggebruik. Beide groepen gebruikten na twee jaar minder drugs. Waarschijnlijk hangt deze algemene teruggang in het druggebruik samen met de extra belangstelling die beide groepen kregen. In de groep met hoge doses is deze teruggang in het druggebruik echter veel sterker. Vooral het gebruik van heroïne loopt in de hoge dosis groep terug en dat was te verwachten, want methadon is immers een vervangend middel voor heroïne.

Op de tweede plaats is gekeken naar de lichamelijke gezondheid. De methadongebruikers met de hoge doses blijken na twee jaar minder vaak ziek te zijn en ze zijn ook korter ziek dan de gebruikers in de controlegroep. Ook is de hoge dosis groep minder vaak in een ziekenhuis opgenomen en hun gezondheidsbeleving is gunstiger.

Op de derde plaats is het psychische functioneren onderzocht. Deelnemers aan de hoge dosis groep blijken na twee jaar minder last te hebben van een aantal psychische klachten, zoals grote onrust of grote spanning of geheugenverlies. Ook wordt de eigen psychische gezondheid beter beoordeeld. Erg groot zijn deze verschillen tussen de beide groepen echter niet, maar ze zijn wel statistisch significant.

Op de vierde en laatste plaats is nagegaan hoe het staat met het sociale functioneren van de deelnemers aan het experiment. Op dit gebied treedt een veel minder eenduidig beeld op. Enerzijds zien we dat de deelnemers met hoge doses minder zijn gaan optrekken met mede-druggebruikers. Het aantal sociale contacten met niet-druggebruikers is duidelijk toegenomen. Maar anderzijds blijkt dat er geen enkel effect is op de criminaliteit. In beide groepen ligt de criminaliteit even hoog. Ook blijkt dat de hoge doses niet leiden tot meer beroepsarbeid.

Als deze verschillende effecten op sociaal gebied worden samengenomen, dan blijkt dat er na twee jaar geen enkel verschil is tussen de hoge dosis groep en de lage dosis groep wat betreft het sociale functioneren.

Op basis van dit onderzoek moet dus vooralsnog geconcludeerd worden dat er geen effect is van hoge doses methadon op het sociale functioneren van de verslaafden.

Ik denk overigens persoonlijk dat die conclusie iets te voorbarig is. Waarschijnlijk waren de omstandigheden waaronder de methadon verstrekt werd zodanig dat een aantoonbaar effect op de sociale situatie is uitgebleven. In het onderzoek zijn daarvoor aanwijzingen te vinden. Maar het zijn aanwijzingen, definitief uitsluitsel geven ze niet.

Op vier gebieden is de situatie van de verslaafden dus onderzocht: op het gebied van het druggebruik, de gezondheid, het psychisch functioneren en het sociale functioneren. Wanneer deze vier gebieden nu worden samengenomen, dan ontstaat inzicht in het effect van hoge doses methadon op de totale situatie van de verslaafde.

Het blijkt dat deze totale situatie zich na 22 maanden veel gunstiger heeft ontwikkeld in de groep met hoge doses dan in de groep met lage doses. Het percentage dat als zeer problematische druggebruiker omschreven kan worden loopt in de hoge dosis groep terug van 27 naar 4%. In de lage dosis groep loopt dit percentage ook terug, maar slechts marginaal: namelijk van 26 naar 23%.

Als in deze cijfers ook degenen worden opgenomen die in de loop van het experiment niet langer een hoge dosis kregen, bijvoorbeeld omdat zij het methadonprogramma verlaten hebben, of omdat zij zelf geen hoge dosis meer wilden, dan blijven deze verschillen bestaan: het percentage zeer problematische druggebruiker daalt dan van 31 naar 9%. Dat wil zeggen per saldo 22 procentpunten vooruitgang. In de controlegroep was er slechts een vooruitgang van 3 procentpunten (28-25%).

Dat zijn beslist geen kleine verschillen, maar toch moeten er twee duidelijke kanttekeningen bij dit resultaat geplaatst worden. Op de eerste plaats blijkt dat in de hoge dosis groep bijna-ongelukken vaker voorkomen. Het gaat om een zelfmoordpoging, een bijna-overdosis, een acute psychose en dergelijke. Dergelijke bijna-ongelukken komen niet vaak voor (16 keer per duizend per jaar methadonverstrekking), maar zoals gezegd veel vaker in de hoge dosis groep dan in de lage dosis groep. Bij het toepassen van hoge doses methadon dient er dus voor gezorgd te worden dat het toezicht zodanig is, dat dergelijke bijna-ongelukken vermeden kunnen worden.

Op de tweede plaats dient niet de illusie gewekt te worden dat hoge doses methadon een definitief antwoord kunnen geven op de problematiek van de verslaafde. Hoge doses kunnen niet meer bieden dan een steun bij het onder controle houden van de verslaving. Pas op veel langere termijn is eventueel herstel mogelijk. En voor sommige verslaafden geldt dat hoge doses methadon geen enkel effect hebben.

Definitieve oplossingen bestaan nu eenmaal niet bij de behandeling van verslaving. En hetzelfde geldt voor de oplossing van de verslavingsproblematiek als maatschappelijk probleem. Kleine stapsgewijze vooruitgang is vooralsnog het enige dat haalbaar lijkt.
Ik dank u voor uw aandacht.